BEGRIPPELIJK KADER VOOR EEN ANALYSE VAN DE RELATIE VAN ECONOMIE EN RECHT

 
F.J.M. van Doorne
 
Inleiding
 
 Juridische fenomenen (rechtbanken,rechters,uitspraken van een rechtbank,de bescherming van de rec-htsstaat,een ministerie van justitie enz.) horen tot de alledaagse werkelijkheid van westerse democra-tien. Zij behoren tot een handelingsdomein dat zich in de perceptie van de inwoners van die landen onderscheidt van andere handelingsdomeinen,bijvoorbeeld het economische,het wetenschappelijke of poli-tieke, het technische of sportieve. De differentiatie van domeinen wordt intuïtief gemaakt. Iedereen weet ook dat de verschillende handelingsdomeinen op allerlei manieren met elkaar verbonden zijn. En bij nader toezien dringt zich ook het besef op dat in de hedendaagse samenleving elk van deze handelingsdo-meinen op zich zo complex is ,dat het resultaat van individuele handelingen daarbinnen niet zonder meer voorzienbaar is. En dat geldt nog in versterkte mate wanneer de complexe samenhang van de vele hande-lingsdomeinen in de beschouwing wordt betrokken. Het heeft er vanuit het handelingsperspectief van in-dividuen zelfs alle schijn van dat maatschappelijke processen een eigen dynamiek hebben die in staat is het eigen handelingsinitiatief een zodanige wending te geven dat het feitelijke maatschappelijke resul-taat ervan niet,of maar zeer ten dele,overeenkomt met het beoogde resultaat.56
 Om de zojuist globaal aangeduide situatie verder te concretiseren met het oog op wat ik met dit artikel wil betogen,introduceer ik in het kort een problematiek die Kuitenbrouwer aansnijdt in het NRC-Handelsblad van 2 februari 1994. Hij bespreekt de in de Verenigde Staten gangbare praktijk van ‘plea bargaining’. ‘De harde kern van deze methode’,zo stelt hij,’is de ruil tussen een uitgeklede tenlastelegging en strafvermindering om de justitie de kosten en soesa van een terechtzitting met jury en al te besparen. Het enige wat de rechter nog hoeft te doen is pro forma een stempel zetten.’ Hij signaleert dat in de Nederlandse strafrechtspraktijk een ontwikkeling in dezelfde richting gaande is. De ’transactie in misdrijfzaken’ op basis van afdoening in onderling goedvinden tussen aanklager en verdachte neemt hand over hand toe. Sommige strafrechtsgeleerden verzetten zich tegen deze ontwikkeling, anderen bepleiten haar. Kuitenbrouwer voegt zich onmiskenbaar bij degenen die er bezwaar tegen maken. De titel van zijn artikel laat op dit punt weinig te raden over ‘Schikkingen met daders ondermijnen rechtspraak.’ Hij noemt een paar redenen voor zijn standpunt. Bij een ervan wil ik in de kontexst van dit artikel even stilstaan. Ik citeer opnieuw:’Transactie speelt zich welhaast per definitie af buiten de openbaarheid. Dat is juist een belangrijk verkoopargument van het moderne strafrechtsbedrijf voor deze methode. Maar het ondermijnt wel de normatieve kracht van de strafrechtspleging: er moet niet alleen recht worden gedaan, maar dat moet ook kunnen worden gezien wil het zijn maatschappelijke functie waarmaken. En gecontroleerd kunnen worden. ‘Consensuele’ afdoening maakt niet langer de onafhankelijke rechter de maat van de strafrechtspleging, maar de niet-onafhankelijke aanklager.'(1)
 
 Een aantal termen die Kuitenbrouwer gebruikt voor het karakteriseren van het voor Nederland in zijn omvang zeker betrekkelijk nieuwe fenomeen vallen op: besparingen aan de kant van justitie op de kosten en soesa van een terechtzitting in ruil voor een uitgeklede tenlastelegging ,transactie in mis-drijfzaken, verkoopargument van het moderne strafrechtsbedrijf. Het zijn termen die in het taalgebruik van alledag thuishoren binnen het handelingsdomein van de economie en niet binnen dat van het recht. Omdat ik de zienswijze deel dat kennen,spreken en handelen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, stel ik in mijn benadering van deze problematiek taalhandelingen centraal, in aansluiting op de taalhandelingstheorie van Habermas(2).
Voor dit domein zijn voor Kuitenbrouwer karakteristiek, dat het fungeert als een normatieve kracht door de openbaarheid en controleerbaarheid van de daarbinnen zich voltrekkende praktijken evenals door de onafhankelijkheid van hen die in het geval van de strafrechtspleging de strafmaat bepalen,
te weten de rechters. Het zijn deze zelfde termen die als sleutelwoorden fungeren in Kelk (1994) en De Roos (1994). Ik kom hier nog op terug. 
 
Is dit sterk om zich heen grijpend gebruik van vooral woorden en begrippen uit het economische domein een signaal dat alledaagse intuïties omtrent domein onderscheiden worden ontregeld ? Of stuiten we hier enkel op overdrachtelijk gebruik van woorden en begrippen ?(3)
 Wat de mérites van dit voorbeeld ook mogen zijn ,het vormt voor mij de opstap naar een betoog over de vereisten waaraan, uit een oogpunt van theoretische plausibiliteit (3) en verklaringskracht, het spreken over de verhouding van economisch en juridisch taalgebruik, van economie en recht als twee maatschapppelijke handelingsdomeinen en van economische wetenschap en rechtswetenschap moet voldoen. Dat de focus van mijn analyse primair de theoretische verantwoording betreft betekent echter geenszins, naar ik aannemelijk hoop te maken, dat de analyse geen maatschappelijke relevantie zou hebben.
 

 
 
 
 De opzet van mijn betoog ziet er uit als volgt. In een eerste beweging zal ik aannemelijk ma-ken,dat voor een goed begrip van zowel de juridische als de economische wetenschap het maken van een onderscheid tussen twee contexten van taalhandelingen nodig is,de alledaagse en de wetenschappelijke. Wetenschappelijk argumenteren geldt daarbij als een gespecialiseerde vorm van taalhandelingen. In deze eerste beweging worden de complexe vooronderstellingen gethematiseerd die bepalend zijn voor het denken in termen van een overgang,een ‘vertaling’,van alledaagse naar wetenschappelijke taalhandelingen,en wordt het verschil benadrukt tussen ervaringsobjecten die in het taalverkeer van alledag tot stand ko-men en empirische objecten die binnen de context van wetenschapsbeoefening ontstaan. In een volgende beweging zal ik binnen de context van  wetenschappelijke taalhandelingen een differentiatie invoeren tussen empirisch-  en reconstructief-wetenschappelijke taalhandelingen. Dit onderscheid is van belang om de eenheid en eigenheid van een vakgebied te kunnen markeren. En ik heb het nodig om mijn  standpunt te kunnen verdedigen,dat het pas onder verwijzing naar een algemene maatschappijtheorie mogelijk is op bevredigende wijze uitgangspunten te ontwikkelen voor een theoretisch verantwoord op elkaar betrekken van alledaagse en empirisch-wetenschappelijke taalhandelingen evenals van de onderwerpen die er door geconstitueerd worden. Tot besluit van dit artikel verwijs ik naar een maatschappijtheoretisch ontwerp van een talige interactiesituatie,en geef ik een summiere aanduiding van de wijze waarop binnen een dergelijk kader economische  en juridische taalhandelingen ten opzichte van elkaar onderscheiden én op elkaar betrokken kunnen worden. Tegen deze achtergrond  beoordeel ik de momenteel aan populariteit win-nende economische benadering van het recht als niet-productief en als theoretisch onverdedigbaar.
59.  Ik doel hier vooral op de teksten van Habermas waarin hij een theorie van taalhandelingen uitwerkt.In discussie met Austin,Searle,Grice e.a. ontwikkelt Habermas een taalhandelingstheorie die ik interpreteer als een maatschappijtheoretisch geradicaliseerde receptie van de genoemde auteurs 
( zie Van Doorne (1982),p.118-143).
 Wat de samenhang van kennen en handelen betreft vind ik het belangwekkend,dat op het gebied van de kognitiewetenschap door Varela (1992 ) een voor dat onderzoeksgebied ingrijpend-nieuwe conceptie wordt ontwikkeld,waarin kognitie als belichaamd handelen wordt verstaan.Op het eerste gezicht vertoont deze positie overeenkomst met uitgangspunten van de taalhandelingstheorie.Voor een beknopte karakterisering van Varela’s positie tegenover die van het kognitivisme en konnektivisme verwijs ik naar Information Philosophie,1,Februar 1994,p.104-108.
     Ik kan mij niet vinden in de interpretatie die Helsloot (1992) van Habermas’taalhandelingstheorie geeft.Deze auteur perst Habermas in een keurslijf dat m.i. aan diens onderzoeksperspectief volstrekt geen recht kan doen, en hij leest bij Habermas zaken die ik nergens terug kan vinden.Zo stelt Helsloot ten onrechte het volgende :de (door hem aan Habermas toegeschreven) kognitivistische invalshoek “leidt echter net als bij Chomsky tot een fiksatie van ‘ideale’verhoudingen :de stelregels waar kommunicerende mensen van uit (moeten) gaan,
zouden biologisch gerepresenteerd zijn in de struktuur van het brein” (o.c.p, 38-39). 
 
 De verschillende stappen in mijn betoog zouden elk voor zich de ruimte van een artikel vergen. Ik heb er voor gekozen in dit artikel aandacht te vragen voor de samenhang van de verschillende stappen in de argumentatie,ook al gaat dit noodgedwongen ten koste van een gedetailleerde uitwerking van elk van de stappen.
 
 
 
 
 
Het onderscheid van alledaagse en wetenschappelijke taalhandelingen
 
 Er zijn goede gronden om met betrekking tot taalhandelingen twee contexten te onderscheiden, die van  alledaagse en die van  wetenschappelijke taalhandelingen.60 In een paar eerdere publicaties (Van Doorne 1989 en 1993) heb ik onderzocht of het onderscheid van alledaagse en wetenschappelijke taalhan-delingen  aansluit bij onderscheiden die in de onderzoekspraktijk van beide wetenschappen worden gemaa-kt. In deze studie zal ik mij wat de empirische wetenschap betreft beperken tot de sociale wetenschap-pen economie en recht, en hierbinnen weer tot bedrijfseconomie en strafrecht.
 
 
 Op het gebied van de rechtswetenschap vind ik steun voor dit onderscheid in de studie van Foqué en ’t Hart over het strafrecht (Foqué en ’t Hart (1992)). In zijn ‘Recht als schild van Perseus’ geeft de tweede auteur een schitterende uitwerking van de problematiek die speelt in de overgang van de alle-daagse context van taalhandelingen naar de wetenschappelijke context van taalhandelingen in het straf-recht (zie diens (1991), m.n.p. 25-38).
 De zienswijze van beide auteurs op de begrippelijke opbouw van de rechtswetenschap kan als volgt worden samengevat (zie ook mijn (1993),in het bijzonder schema 1, p. 338). In alledaagse taalhandelin-gen wordt de concrete belevingswerkelijkheid van individuele personen omgevormd tot de maatschappelijke gestalte van een intersubjectieve  ervaringswerkelijkheid. Het is zinvol in het kader van dit omvor-mingsproces aan de kant van beide werkelijkheidsbenaderingen twee handelingscomponenten te onderschei-den: de conceptuele ordeningsschema’s die in het talig handelen een rol spelen, en de verwijzing naar een materiële conditie die het handelen specificeert door het te situeren.61 In het geval van de leek zijn de conceptuele ordeningsschema’s die van de ‘common sense’ , voor de jurist die van de  rechtsdog-matiek. De materiële conditie is in beide gevallen een bestaande rechtsorde. Wanneer leek en jurist tot dezelfde samenleving behoren speelt volgens de besproken auteurs op de achtergrond van de gevalspeci-fieke werkelijkheidsbenadering van respectievelijk leek en jurist , een impliciet ‘Vorverständnis, d.i. een door hen gedeelde conceptie en perceptie van de betreffende samenlevingscontext als geheel.     
60.  Zie Bonsz,Die Einübung des Tatsachenblicks
61.  Zoals ik verderop zal betogen is in het talig handelen ook altijd een zelfreferentiële component geïmpliceerd. Deze wordt in de analyse van Foqué en ’t Hart niet als zodanig gethematiseerd. Vooralsnog wil ik die daarom in mijn uiteenzetting buiten beschouwing laten.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
In de studie van Foqué en ’t Hart staat het strafrecht centraal.  Niettemin zijn er legio plaatsen in hun uiteenzetting waar het contexsten-onderscheid lijkt te gelden voor de rechtswetenschap naar haar volle omvang. ‘For the sake of argument’ neem ik in deze bijdrage, zonder nader onderzoek, aan dat het gemaakte onderscheid zelf evenals de nadere articulaties ervan gelden voor alle subdisciplines van het recht.  
  
  
  Wat de economische wetenschap betreft kan ik niet teruggrijpen op een vergelijkbaar schema. Er is naar ik meen evenwel aanleiding om te denken,dat de articulatie van alledaagse versus wetenschap-pelijke context van taalhandelingen evenals de differentiatie binnen de beide contexten niet alleen in het geval van de jurist,maar ook bij de econoom van toepassing zijn.
  Deze zienswijze ligt zeker niet voor het oprapen. Er zijn grote verschillen tussen het den-ken van praktijkjuristen en praktijkeconomen,met welke term ik voor de gelegenheid de veruit grootste groep van universitaire economen aanduid :de bedrijseconomen. Er lijkt in de verschillende subdiscipli-nes van de bedrijfseconomie weinig tot geen ruimte te zijn voor nog niet theoretisch voorgestructureer-de praktijkervaringen van leken. Wat men doorgaans voornamelijk aantreft zijn de ordeningsschemata van de (meestal neoklassieke ) ‘dogmatiek’ en een hierbij passende uiteenzetting van feiten.
 Nu is het wel zo,dat nogal wat bedrijseconomen die ik ken,wanneer ze aangesproken worden over het wetenschappelijke statuut van hun (sub)discipline,onderscheid maken tussen het ervaringsobject en het kenobject van hun vak. Een onderscheid waarvoor dikwijls het Leerboek der Bedrijseconomie van Bouma 62 als referentiewerk fungeert. Bouma brengt dit onderscheid in verband met het onderscheid van een induc-tieve en een deductieve objectbenadering. En hij stipuleert dat beide benaderingswijzen in de bedrijfs-economie onherleidbaar en interdependent zijn,dat ze elkaar aanvullen,en dat het maatschappelijk noch wetenschappelijk verantwoord is te volstaan met een (axiomatisch-)deductieve objectbenadering. Hij kiest hiermee stelling in een paradigmastrijd binnen de economische wetenschap die door Muysken (1985)                                                            ten tonele wordt gevoerd als een strijd tussen een Marshalliaanse en een Hicksiaanse wetenschapsconcep-tie. Het is een strijd die de ‘werkelijkheidswaarde’ betreft van de axiomatisch-ontwikkelde veronder-stellgen,waarbij het er in de Hicksiaanse positie niet meer toe doet of de geformuleerde veronderstel-lingen in enigerlei herkenbare relatie staan met het waarnemingsmateriaal. Zo verstaan past m.i. het onderscheid van ervarings- en kenobject bij Bouma bij het door mij hierboven gemaakte onderscheid van alledaagse en empirisch-wetenschappelijke taalhandelingen.63
62. Bouma…
 Voor het articuleren van dit contextenonderscheid  zijn ook in een voordracht van March (1978),die op dit punt nog niets aan actualiteitswaarde heeft ingeboet,argumenten te vinden. In het overzicht dat hij geeft van de ontwikkelingen van de keuze-en beslissingstheorie in de jaren zestig en zeventig sig-naleert hij problemen die zijns inziens om een doorbreking vragen van een te nauwe rationaliteitscon-ceptie. Hij beroept zich hiertoe op onmiskenbaar in alledaags keuzegedrag aanwezige intelligentieaspec-ten waarvoor in de wetenschappelijke theorievorming geen plaats is.  Naar zijn mening moet een weten-schappeijke theorie op de helling wanneer zij het serieus nemen van zulke aspecten verbiedt. De aanwe-zigheid van intelligentie in het alledaags gedrag van mensen stelt volgens hem grenzen aan de construc-tievrijheid van wetenschappers (zie:Van Doorne en Vromen (1983))
  
 Voor de differentiatie van handelingscomponenten binnen de beide contexten zijn bedrijfseconomen weinig expliciet. Bouma heeft aandacht voor de problematiek,maar de verwoording van zijn standpunt is ambivalent.64 Ook in meer recente studies over de verhouding van makro- en mikro-economische probleembe-naderingen krijgt de specificatie van materiële condities waaronder conceptuele grondbegrippen gelden aandacht.65 Hier werk ik dit punt niet verder uit. Ik neem aan dat plausibel te maken is,dat de diffe-rentiatie van handelingscomponenten die we in het stafrecht hebben aangetroffen,ook aan de orde is voor de bedrijseconomie en haar subdisciplines. Op dezelfde manier als voor het strafrecht gebeurde in sche-ma 1 kunnen de bevindingen omtrent  (bedrijfs)economie schematisch in kaart worden gebracht. De termen jurist,rechtsorde en rechtsdogmatiek worden dan vervangen door de termen (bedrijfs)econoom,economische orde en economische dogmatiek. De laatste term is niet gebruikelijk in het spreken over economie,maar ik zie er geen enkel bezwaar tegen om bijvoorbeeld in onze tijd en en onze contreien de uitgangspunten en leerstellingen van de dominante,neoklassieke economie,gegeven de wijze waarop ze functioneren in het economisch  ‘discours,een dogmatiek te noemen.66
63. Omdat Bouma evenwel de inductieve en deductieve objectbenadering niet op een theoretisch doordachte manier weet te bemiddelen,is zijn positie minder eenduidig dan ik het nu doe voorkomen.Ook heeft Bouma geen oog voor het intersubjectieve netwerk van taalhandelingen waarbinnen objecten tot stand komen.Hij denkt in termen van 
de traditioneel-cognitieve subject-object-relatie.
      
64. ‘Het economisch gedrag wordt tevens bepaald door wat wij aanduiden met de term ‘orde’.Onder ‘orde’ zij in dit verband verstaan het geheel van regels,voorschriften,wetten en wetmatigheden waaraan het economisch subject zich vrijwillig of gedwongen onderwerpt.De orde spruit onder meer voort uit gewoonte,traditie,recht,fysisch-chemische wetten en intermenselijke machtsverhoudingen.’ (Bouma,o.c.,p.159).De tekst van dit citaat is ambivalent,omdat enerzijds wordt gesproken van economisch gedrag in de zin van feitelijk waarneembaar gedrag (vgl.o.c.,p.17),en anderzijds over het economisch subject, dat zijn eigenheid pas ontleent aan de economisch-wetenschappelijke aspectbenadering van de maat-schappelijke realiteit.M.a.w. in de betreffende tekst worden de maatschappelijke en de wetenschappelijke contekst niet goed uit elkaar gehouden.Om dit onderscheid overeind te houden en tevens het onderscheid van de conceptuele en de materiële handelingscomponent is het nodig de feitelijk bestaande maatschappelijke orde waarin wij o.a. economisch actief zijn, te onderscheiden van de wetenschappelijk geconstrueerde empirische ‘feitelijkheid’ van de economische orde die als referentiekader fungeert voor het denken van de econoom.
 
65. Zie….
 
 
Wetenschappelijke taalhandelingen:empirisch versus reconstructief
 
 Nadere analyse van wat er zich afspeelt binnen de context van wetenschappelijke argumentatie maakt een verder onderscheid noodzakelijk. Wetenschappelijke activiteit blijkt een dubbele functie te vervul-len:het genereren van een werkelijkheidsbenadering die in staat is maatschappelijke intersubjectiviteit te herstellen67, én het verantwoorden van de theoretische plausibiliteit en verklaringskracht van de uitgangspunten die het proces van intersubjectieve omgang met werkelijkheid bepalen. Naar deze twee functies verwijst het onderscheid dat ik eerder binnen de wetenschappelijk context heb gemaakt tussen empirisch-wetenschappelijke en reconstructief-wetenschappelijke taalhandelingen (vergelijk Van Doorne 1982, p. 82-96). In dit artikel zal ik mij wat het empirisch-wetenschappelijke betreft beperken tot de                                                            maatschappijwetenschappelijke disciplines van strafrecht en bedrijfseconomie. En wat de reconstructief-wetenschapppelijke analyses aangaat tot de grondslagen van economie en recht en tot de maatschappijthe-oretische reconstructies die het kader vormen waarbinnen ze op elkaar betrokken kunnen worden.
66. In onderstaand schema 2 geef ik een aanvullende voorstelling van zaken.Het biedt de mogelijkheid iets te zeggen over de verkaveling van het domein van de bedrijseconomie.
 
 
Schema 2 :differentatie en integratie binnen de wetenschappelijke context
    
< schema 2 ,zie bijlage 1 > 
 
 Ik heb even afgezien van wat eerder is benoemd als ‘Vorverständnis’.Ik heb bovendien voor het geheel van de bedrijsfeconomische sub-disciplines gepostuleerd dat er ordeningsschema’s zijn die ten aanzien van de verschillende subdisciplines de gemeenschappelijkeid van een bedrijfseconomische optiek en de afgrenzing van een specifiek handelingsdomein verzekeren.Het merkwaardige fenomeen doet zich namelijk voor dat dergelijke ordeningsschema’s wel de achtergrond lijken te vormen van het taalhandelingsproces van bedrijfseconomen onderling,maar dat ze niet expliciet worden geformuleerd.De zinvolle differentiatie naar subdisciplines gaat onvoldoende gepaard met articulatie van samenhangen op het omvattende domein van bedrijfseconomische theorievorming.Zoals in het vervolg van de tekst nog duidelijk zal worden speelt ten aanzien van differentiatie en integratie binnen één maatschappijwetenschappelijke discipline ((bedrijfs)economie) een problematiek die vergelijkbaar is met die van de differentiatie en integratie van de verschillende maatschappijwetenschappen ten opzichte van elkaar. 
 
67.  Het is zeker niet zo dat de feitelijke onderzoekspraktijk van verschillende disciplines deze functie vervult.Hiertoe moet aan voorwaarden zijn voldaan (zoals we nog zullen zien ) die dikwijls ontbreken.In de samenleving leeft wel de verwachting dat empirisch-wetenschappelijk onderzoek deze functie kan vervullen.In het bijzonder wordt dan hoop geïnvesteerd in interdisciplinaire samenwerking 
( zie Van Doorne en Ruys (1988 ),p.11-14 ).
 
 Opnieuw neem ik het eerst het strafrecht in beschouwing. Door Foqué en ’t Hart worden redenen aan-gevoerd om een empirische theorie van het recht te onderscheiden van een grondslagentheorie van het recht. Ik verwijs voor een analyse van hun argumentatie naar (Van Doorne (1993)),evenals voor de in deze alinea aangehaalde woorden van Foqué en ’t Hart. Wat voor hen cruciaal is aan dit onderscheid is wordt als volgt verwoord. De term empirische theorie betreft ‘een theorie en een begrippenapparaat die uitdrukking geven aan de heersende stand van zaken of aan een na te streven alternatieve stand van za-ken’. De naam grondslagentheorie  wordt gegeven aan ‘een theorie en een begrippenapparaat die niet rec-htstreeks op de articulatie van feitelijke constellaties zijn gericht,maar het kader aangeven waarin feitelijkheid en theoretische vertaling van feitelijkheid op elkaar betrokken kunnen worden’. Het stre-ven (maatschappelijk relevante ) empirische kennis te genereren krijgt vorm in een begripsstrategie welke gebaseerd is op conceptuele uitgangspunten en vooronderstellingen die in het proces van empirise-ring niet zelf ter discussie staan. Om ze ter discussie te kunnen stellen zijn andere conceptuele mid-delen een een andere begripsstrategie vereist. Het vergt een probleemstelling waarin de aandacht wordt gericht op ‘de inhoud en de draagwijdte van het rechtsbegrip zelf’ en dus ook op de aard van de verhou-ding tussen de ervaringswerkelijkheid van alledag en de empirische werkelijkheid van het juridische. Wanneer we de alledaagse werkelijkheid als eerste orde beschouwen,brengt de juridisch-wetenschappelijke benadering van een eerste orde-problematiek een tweede orde-structuur aan,waarvan het voornaamste ken-merk gelegen is in de normatief bemiddelde relatie van rechtssubjekten binnen een rechtsorde. De situe-ring van deze normatieve bemiddeling binnen een als feitelijk referentiekader fungerende,specifieke rechtsorde vindt haar bepaling en empirische gestalte in de vorm van rechtsregels,rechtsinstituten en juristen als rechtsdeskundigen. Het referentiekader van een specifieke rechtsorde wordt gedacht als een historisch contingente realisatie van een algemene voor het recht als zodanig constitutieve taalhande-lingsstructuur.
 Gegeven deze voorstelling van zaken lijkt het mij correct de grondslagentheorie van het recht in eerste instantie op te vatten als dat deelgebied van weten-schappelijke taalhandelingen waarin de gron-dbegrippelijke structuur van het empirische domein van het recht wordt gereconstrueerd. En zoals steeds is hier weer het onderscheid van handelingscomponenten relevant:de domeinspecifieke grondbegrippen moe-ten worden geexpliciteerd en het voor het recht specifieke handelingskader gereconstrueerd. De begrip-pelijk opbouw van rechtswetenschap zoals ik die heb samengevat in schema 1,dient derhalve ,op basis van de analyses van Foqué en ’t Hart,te worden uitgebreid. Behalve voor de taalhandelingen van de leek en van de jurist moet er aan het schema een rij van cellen worden toegevoegd met betrekking tot de taal-handelingen van de rechtstheoreticus (zie schema 3).  
 
Schema 3:de taalhandelingscontext van de rechtstheoreticus
 

 
 Tot zover heeft mijn analyse,naar ik meen,betrekking op de inhoud van het ( algemene ) rechtsbe-grip en nog niet op de draagwijdte ervan.68 Deze laatste betreft de aard van de verhouding van de alle-daagse ervaringswerkelijkheid van het recht en de empirische werkelijkeid van het juridisch-wetenschap-pelijke taalhandelingsdomein. En het betreft de wijze waarop de feitelijkheid van alledag wetenschappe-lijk wordt ‘vertaald’in juridische feitelijkheid.
 
 
 
(8juli)memo
 
. wat auteurs ‘contrafactisch’ noemen  is mij nog teveel een hermeneutisch ‘angehaucht’ begrip. Te ver-vangen door reconstructief grondslagenonderzoek in termen van taalhandelingen waarvan de grondbegrippe-lijke structuur van maatschappelijke verschijnselen het product is. 
.verhouding van alledaagse en empirisch-wetenschappelijke taalhandelingen gedacht (= ontworpen) in ter-men van structuurovereenkomst (str.gelijkheid).
.domeinspecifieke grondslagentheorie is het samengaan van niet-empirisch gespecificeerde concepten
van een algemene maatschappijtheorie (concepten+alg.maatschappijmodel) en van explicitatie van domein-specifieke uitgangspunten (differentiatie en integratie) Zie schema 4.
.reconstructie van ‘Vorverständnis’ die sturend is t.a.v. grondbegrippen van het recht
 
 
 
Interdependentie van contexten 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
context van
analytische
theorievor-ming
integra-tie
filosofische
grondslagentheorie
o.a. maat-schappijtheo-retisch
grondmodel
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
differen-tiatie
grondslagentheorieën
van maatschappij-
wetenschappelijke disciplines
Eco
Soc
Recht
enz.
 
 
 
discipline-specifieke grondmodellen
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
context van
empirische
theorievor-ming
integra-tie
empirische interpre-tatie
en specificatie van
discipline-specifieke
grondmodellen
o.a.
ECO → BE
empirisch
grondmodel
van onderne-mings-
gebeuren
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
differen-tiatie
veldbetrokken uitwer-king
van deelproblematiek
berichtgeving
organisatie
financie-ring
marke-ting
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
context van
maatschap-pelijk
gebeuren
 
 
 
 
o.a. onderne-mings-gebeuren
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
68. Ik herneem hiermee de termen waarmee Foqué en ’t Hart het product aanduiden van de grondslagentheoretische begripsstrategie van het recht (zie eerder in de tekst ).
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
van de geïnteresserde leek. En ze blijken konsekwenties te hebben voor de wijze waarop bevoegde instan-ties omgaan met maatschappelijke problemen. Met zijn bijdrage aan de publieke meningsvorming draagt Kuitenbrouwer ertoe bij dat de posities uit de vakdiscussie maatschapppelijke invloed krijgen,en hij wil de lezer bij deze discussie betrekken wegens de betekenis die ze heeft voor de nederlandse samenle-ving.
 
 Wat de mérites van dit voorbeeld ook mogen zijn ,het vormt voor mij de opstap naar een betoog over de vereisten waaraan, uit een oogpunt van theoretische plausibiliteit 69 en verklaringskracht,het spre-ken over de verhouding van economisch en juridisch taalgebruik,van economie en recht als twee maat-schapppelijke handelingsdomeinen en van economische wetenschap en rechtswetenschap moet voldoen. Dat de focus van mijn analyse primair de theoretische verantwoording betreft betekent echter geenszins,naar ik aannemelijk hoop te maken,dat de analyse geen maatschappelijke relevantie zou hebben.
 Omdat ik de zienswijze deel dat kennen,spreken en handelen onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn,stel ik in mijn benadering van deze problematiek taalhandelingen centraal,in aansluiting op de taalhandelingstheorie van  Habermas70.
 
 
 De opzet van mijn betoog ziet er uit als volgt. In een eerste beweging zal ik aannemelijk maken,dat voor een goed begrip van zowel de juridische als de economische wetenschap het maken van een onderscheid tussen twee contexten van taalhandelingen nodig is,de alledaagse en de wetenschappelijke. Wetenschappelijk argumenteren geldt daarbij als een gespecialiseerde vorm van taalhandelingen. In deze eerste beweging worden de complexe vooronderstellingen gethematiseerd die bepalend zijn voor het denken in termen van een overgang,een ‘vertaling’,van alledaagse naar wetenschappelijke taalhandelingen,en wordt het verschil benadrukt tussen ervaringsobjecten die in het taalverkeer van alledag tot stand ko-men en empirische objecten die binnen de context van wetenschapsbeoefening ontstaan.In een volgende beweging zal ik binnen de context van  wetenschappelijke taalhandelingen een differentiatie invoeren tussen empirisch-  en reconstructief-wetenschappelijke taalhandelingen.Dit onderscheid is van belang om de eenheid en eigenheid van een vakgebied te kunnen markeren.En ik heb het nodig om mijn  standpunt te kunnen verdedigen,dat het pas onder verwijzing naar een algemene maatschappijtheorie mogelijk is op bevredigende wijze uitgangspunten te ontwikkelen voor een theoretisch verantwoord op elkaar betrekken van alledaagse en empirisch-wetenschappelijke taalhandelingen evenals van de onderwerpen die er door geconstitueerd worden.Tot besluit van dit artikel verwijs ik naar een maatschappijtheoretisch ontwerp van een talige interactiesituatie,en geef ik een summiere aanduiding van de wijze waarop binnen een dergelijk kader economische  en juridische taalhandelingen ten opzichte van elkaar onderscheiden én op elkaar betrokken kunnen worden.Tegen deze achtergrond  beoordeel ik de momenteel aan populariteit win-nende economische benadering van het recht als niet-productief en als theoretisch onverdedigbaar.
69.  Vgl.Bart Nooteboom,Plausibility and usefullness:critcism of Friedmans methodology,…
70.  Ik doel hier vooral op de teksten van Habermas waarin hij een theorie van taalhandelingen uitwerkt.In discussie met Austin,Searle,Grice e.a. ontwikkelt Habermas een taalhandelingstheorie die ik interpreteer als een maatschappijtheoretisch geradicaliseerde receptie van de genoemde auteurs 
( zie Van Doorne (1982),p.118-143).
 Wat de samenhang van kennen en handelen betreft vind ik het belangwekkend,dat op het gebied van de kognitiewetenschap door Varela (1992 ) een voor dat onderzoeksgebied ingrijpend-nieuwe conceptie wordt ontwikkeld,waarin kognitie als belichaamd handelen wordt verstaan.Op het eerste gezicht vertoont deze positie overeenkomst met uitgangspunten van de taalhandelingstheorie.Voor een beknopte karakterisering van Varela’s positie tegenover die van het kognitivisme en konnektivisme verwijs ik naar Information Philosophie,1,Februar 1994,p.104-108.
     Ik kan mij niet vinden in de interpretatie die Helsloot (1992) van Habermas’taalhandelingstheorie geeft.Deze auteur perst Habermas in een keurslijf dat m.i. aan diens onderzoeksperspectief volstrekt geen recht kan doen, en hij leest bij Habermas zaken die ik nergens terug kan vinden.Zo stelt Helsloot ten onrechte het volgende :de (door hem aan Habermas toegeschreven) kognitivistische invalshoek “leidt echter net als bij Chomsky tot een fiksatie van ‘ideale’verhoudingen :de stelregels waar kommunicerende mensen van uit (moeten) gaan,
zouden biologisch gerepresenteerd zijn in de struktuur van het brein” (o.c.p, 38-39). 
 
 De verschillende stappen in mijn betoog zouden elk voor zich de ruimte van een artikel vergen.Ik heb er voor gekozen in dit artikel aandacht te vragen voor de samenhang van de verschillende stappen in de argumentatie,ook al gaat dit noodgedwongen ten koste van een gedetailleerde uitwerking van elk van de stappen.
 
 
 
 
 
Het onderscheid van alledaagse en wetenschappelijke taalhandelingen
 
 Er zijn goede gronden om met betrekking tot taalhandelingen twee contexten te onderscheiden,die van  alledaagse en die van  wetenschappelijke taalhandelingen.71 In een paar eerdere publicaties (Van Doorne 1989 en 1993) heb ik onderzocht of het onderscheid van alledaagse en wetenschappelijke taalhan-delingen  aansluit bij onderscheiden die in de onderzoekspraktijk van beide wetenschappen worden gemaa-kt.In deze studie zal ik mij wat de empirische wetenschap betreft beperken tot de sociale wetenschappen economie en recht,en hierbinnen weer tot bedrijfseconomie en strafrecht.
 
 
 Op het gebied van de rechtswetenschap vind ik steun voor dit onderscheid in de studie van Foqué en ’t Hart over het strafrecht ( Foqué en ’t Hart ( 1992 )).In zijn ‘Recht als schild van Perseus’ geeft de tweede auteur een schitterende uitwerking van de problematiek die speelt in de overgang van de alle-daagse context van taalhandelingen naar de wetenschappelijke context van taalhandelingen in het straf-                                                           recht (zie diens (1991),m.n.p.25-38).
71.  Zie Bonsz,Die Einübung des Tatsachenblicks
 De zienswijze van beide auteurs op de begrippelijke opbouw van de rechtswetenschap kan als volgt worden samengevat (zie ook mijn (1993),in het bijzonder schema 1,p.338).In alledaagse taalhandelingen wordt de concrete belevingswerkelijkheid van individuele personen omgevormd tot de maatschappelijke gestalte van een intersubjectieve  ervaringswerkelijkheid.Het is zinvol in het kader van dit omvor-mingsproces aan de kant van beide werkelijkheidsbenaderingen twee handelings-
componenten te onderscheiden:de conceptuele ordeningsschema’s die in het talig handelen een rol spe-len,en de materiële verwijzing of referentie die in het handelen is geïmpliceerd.72  
 
 
 
 
 
 
 
 
 
In de studie van Foqué en ’t Hart staat het strafrecht centraal.Niettemin zijn er legio plaatsen in hun uiteenzetting waar het contexsten-onderscheid lijkt te gelden voor de rechtswetenschap naar haar volle omvang.’For the sake of argument’ neem ik in deze bijdrage, zonder nader onderzoek, aan dat het gemaak-te onderscheid zelf evenals de nadere articulaties ervan gelden voor alle subdisciplines van het recht.  
  
  
  Wat de economische wetenschap betreft kan ik niet teruggrijpen op een vergelijkbaar schema. Er is naar ik meen evenwel aanleiding om te denken,dat de articulatie van alledaagse versus wetenschap-pelijke context van taalhandelingen evenals de differentiatie binnen de beide contexten niet alleen in het geval van de jurist,maar ook bij de econoom van toepassing zijn.
  Deze zienswijze ligt zeker niet voor het oprapen.Er zijn grote verschillen tussen het denken van praktijkjuristen en praktijkeconomen,met welke term ik voor de gelegenheid de veruit grootste groep van universitaire economen aanduid :de bedrijseconomen.Er lijkt in de verschillende subdisciplines van de bedrijfseconomie weinig tot geen ruimte te zijn voor nog niet theoretisch voorgestructureerde prak-tijkervaringen van leken.Wat men doorgaans voornamelijk aantreft zijn de ordeningsschemata van de (mee-stal neoklassieke ) ‘dogmatiek’ en een hierbij passende uiteenzetting van feiten.
 Nu is het wel zo,dat nogal wat bedrijseconomen die ik ken,wanneer ze aangesproken worden over het wetenschappelijke statuut van hun (sub)discipline,onderscheid maken tussen het ervaringsobject en het kenobject van hun vak.Een onderscheid waarvoor dikwijls het Leerboek der Bedrijseconomie van Bouma 73 als referentiewerk fungeert.Bouma brengt dit onderscheid in verband met het onderscheid van een induc-tieve en een deductieve objectbenadering.En hij stipuleert dat beide benaderingswijzen in de bedrijfs-economie onherleidbaar en interdependent zijn,dat ze elkaar aanvullen,en dat het maatschappelijk noch wetenschappelijk verantwoord is te volstaan met een (axiomatisch-)deductieve objectbenadering.Hij kiest hiermee stelling in een paradigmastrijd binnen de economische wetenschap die door Muysken (1985) ten tonele wordt gevoerd als een strijd tussen een Marshalliaanse en een Hicksiaanse wetenschapsconceptie.-Het is een strijd die de ‘werkelijkheidswaarde’ betreft van de axiomatisch-ontwikkelde veronderstell-gen,waarbij het er in de Hicksiaanse positie niet meer toe doet of de geformuleerde veronderstellingen in enigerlei herkenbare relatie staan met het waarnemingsmateriaal. Zo verstaan past m.i. het onder-scheid van ervarings- en kenobject bij Bouma bij het door mij hierboven gemaakte onderscheid van alle-daagse en empirisch-wetenschappelijke taalhandelingen.74
72. Zoals ik verderop zal betogen is in het talig handelen ook altijd een zelfreferentiële component geïmpliceerd.Deze wordt in de analyse van Foqué en ’t Hart niet als zodanig gethematiseerd.Vooralsnog wil ik die daarom in mijn uiteenzetting buiten beschouwing laten.
 Voor het articuleren van dit contextenonderscheid  zijn ook in een voordracht van March (1978),die op dit punt nog niets aan actualiteitswaarde heeft ingeboet,argumenten te vinden.In het overzicht dat hij geeft van de ontwikkelingen van de keuze-en beslissingstheorie in de jaren zestig en zeventig sig-naleert hij problemen die zijns inziens om een doorbreking vragen van een te nauwe rationaliteitscon-ceptie.Hij beroept zich hiertoe op onmiskenbaar in alledaags keuzegedrag aanwezige intelligentieaspec-ten waarvoor in de wetenschappelijke theorievorming geen plaats is.Naar zijn mening moet een weten-schappeijke theorie op de helling wanneer zij het serieus nemen van zulke aspecten verbiedt.De aanwe-zigheid van intelligentie in het alledaags gedrag van mensen stelt volgens hem grenzen aan de construc-tievrijheid van wetenschappers (zie:Van Doorne en Vromen (1983))
  
 Voor de differentiatie van handelingscomponenten binnen de beide contexten zijn bedrijfseconomen weinig expliciet.Bouma heeft aandacht voor de problematiek,maar de verwoording van zijn standpunt is ambivalent.75Ook in meer recente studies over de verhouding van makro- en mikro-economische probleembenaderingen krijgt de specificatie van materiële condities waaronder conceptuele grondbe-grippen gelden aandacht.76Hier werk ik dit punt niet verder uit.Ik neem aan dat plausibel te maken is,dat de differentiatie van handelingscomponenten die we in het stafrecht hebben aangetroffen,ook aan de orde is voor de bedrijseconomie en haar subdisciplines.Op dezelfde manier als voor het strafrecht gebeurde in schema 1 kunnen de bevindingen omtrent  (bedrijfs)economie schematisch in kaart worden gebracht.De termen jurist,rechtsorde en rechtsdogmatiek worden dan vervangen door de termen (bedrijfs)econoom,economische orde en economische dogmatiek.De laatste term is niet gebruikelijk in het spreken over economie,maar ik zie er geen enkel bezwaar tegen om bijvoorbeeld in onze tijd en en onze contreien de uitgangspunten en leerstellingen van de dominante,neoklassieke economie,gegeven de wijze waarop ze functioneren in het economisch  ‘discours,een dogmatiek te noemen.77
73. Bouma…
74. Omdat Bouma evenwel de inductieve en deductieve objectbenadering niet op een theoretisch doordachte manier weet te bemiddelen,is zijn positie minder eenduidig dan ik het nu doe voorkomen.Ook heeft Bouma geen oog voor het intersubjectieve netwerk van taalhandelingen waarbinnen objecten tot stand komen.Hij denkt in termen van 
de traditioneel-cognitieve subject-object-relatie.
     
75. ‘Het economisch gedrag wordt tevens bepaald door wat wij aanduiden met de term ‘orde’.Onder ‘orde’ zij in dit verband verstaan het geheel van regels,voorschriften,wetten en wetmatigheden waaraan het economisch subject zich vrijwillig of gedwongen onderwerpt.De orde spruit onder meer voort uit gewoonte,traditie,recht,fysisch-chemische wetten en intermenselijke machtsverhoudingen.’ (Bouma,o.c.,p.159).De tekst van dit citaat is ambivalent,omdat enerzijds wordt gesproken van economisch gedrag in de zin van feitelijk waarneembaar gedrag (vgl.o.c.,p.17),en anderzijds over het economisch subject, dat zijn eigenheid pas ontleent aan de economisch-wetenschappelijke aspectbenadering van de maat-schappelijke realiteit.M.a.w. in de betreffende tekst worden de maatschappelijke en de wetenschappelijke contekst niet goed uit elkaar gehouden.Om dit onderscheid overeind te houden en tevens het onderscheid van de conceptuele en de materiële handelingscomponent is het nodig de feitelijk bestaande maatschappelijke orde waarin wij o.a. economisch actief zijn, te onderscheiden van de wetenschappelijk geconstrueerde empirische ‘feitelijkheid’ van de economische orde die als referentiekader fungeert voor het denken van de econoom.
 
 
Wetenschappelijke taalhandelingen:empirisch versus reconstructief
 
 Nadere analyse van wat er zich afspeelt binnen de context van wetenschappelijke argumentatie maakt een verder onderscheid noodzakelijk.Wetenschappelijke activiteit blijkt een dubbele functie te vervul-len:het genereren van een werkelijkheidsbenadering die in staat is maatschappelijke intersubjectiviteit te herstellen78, én het verantwoorden van de theoretische plausibiliteit en verklaringskracht van de                                                                                                                                                                                                                                                      uitgangspunten die het proces van intersubjectieve omgang met werkelijkheid bepalen.Naar deze twee fu-ncties verwijst het onderscheid dat ik eerder binnen de wetenschappelijk context heb gemaakt tussen empirisch-wetenschappelijke en reconstructief-wetenschappelijke taalhandelingen (vergelijk Van Doorne 1982,p.82-96).In dit artikel zal ik mij wat het empirisch-wetenschappelijke betreft beperken tot de maatschappijwetenschappelijke disciplines van strafrecht en bedrijfseconomie.En wat de reconstructief-wetenschapppelijke analyses aangaat tot de grondslagen van economie en recht en tot de maatschappijthe-oretische reconstructies die het kader vormen waarbinnen ze op elkaar betrokken kunnen worden.
 
76. Zie….
77. In onderstaand schema 2 geef ik een aanvullende voorstelling van zaken.Het biedt de mogelijkheid iets te zeggen over de verkaveling van het domein van de bedrijseconomie.
 
 
Schema 2 :differentatie en integratie binnen de wetenschappelijke context
    
< schema 2 ,zie bijlage 1 > 
 
 Ik heb even afgezien van wat eerder is benoemd als ‘Vorverständnis’.Ik heb bovendien voor het geheel van de bedrijsfeconomische sub-disciplines gepostuleerd dat er ordeningsschema’s zijn die ten aanzien van de verschillende subdisciplines de gemeenschappelijkeid van een bedrijfseconomische optiek en de afgrenzing van een specifiek handelingsdomein verzekeren.Het merkwaardige fenomeen doet zich namelijk voor dat dergelijke ordeningsschema’s wel de achtergrond lijken te vormen van het taalhandelingsproces van bedrijfseconomen onderling,maar dat ze niet expliciet worden geformuleerd.De zinvolle differentiatie naar subdisciplines gaat onvoldoende gepaard met articulatie van samenhangen op het omvattende domein van bedrijfseconomische theorievorming.Zoals in het vervolg van de tekst nog duidelijk zal worden speelt ten aanzien van differentiatie en integratie binnen één maatschappijwetenschappelijke discipline ((bedrijfs)economie) een problematiek die vergelijkbaar is met die van de differentiatie en integratie van de verschillende maatschappijwetenschappen ten opzichte van elkaar. 
 
78.  Het is zeker niet zo dat de feitelijke onderzoekspraktijk van verschillende disciplines deze functie vervult.Hiertoe moet aan voorwaarden zijn voldaan (zoals we nog zullen zien ) die dikwijls ontbreken.In de samenleving leeft wel de verwachting dat empirisch-wetenschappelijk onderzoek deze functie kan vervullen.In het bijzonder wordt dan hoop geïnvesteerd in interdisciplinaire samenwerking 
( zie Van Doorne en Ruys (1988 ),p.11-14 ).
 
 Opnieuw neem ik het eerst het strafrecht in beschouwing.Door Foqué en ’t Hart worden redenen aan-gevoerd om een empirische theorie van het recht te onderscheiden van een grondslagentheorie van het recht.Ik verwijs voor een analyse van hun argumentatie naar (Van Doorne (1993)),evenals voor de in deze alinea aangehaalde woorden van Foqué en ’t Hart.Wat voor hen cruciaal is aan dit onderscheid is wordt als volgt verwoord.De term empirische theorie betreft ‘een theorie en een begrippenapparaat die uitdru-kking geven aan de heersende stand van zaken of aan een na te streven alternatieve stand van zaken’.De naam grondslagentheorie  wordt gegeven aan ‘een theorie en een begrippenapparaat die niet rechtstreeks op de articulatie van feitelijke constellaties zijn gericht,maar het kader aangeven waarin feitelijk-heid en theoretische vertaling van feitelijkheid op elkaar betrokken kunnen worden’.Het streven (maat-schappelijk relevante ) empirische kennis te genereren krijgt vorm in een begripsstrategie welke geba-seerd is op conceptuele uitgangspunten en vooronderstellingen die in het proces van empirisering niet zelf ter discussie staan.Om ze ter discussie te kunnen stellen zijn andere conceptuele middelen een een andere begripsstrategie vereist.Het vergt een probleemstelling waarin de aandacht wordt gericht op ‘de inhoud en de draagwijdte van het rechtsbegrip zelf’ en dus ook op de aard van de verhouding tussen de ervaringswerkelijkheid van alledag en de empirische werkelijkheid van het juridische.Wanneer we de al-ledaagse werkelijkheid als eerste orde beschouwen,brengt de juridisch-wetenschappelijke benadering van een eerste orde-problematiek een tweede orde-structuur aan,waarvan het voornaamste kenmerk gelegen is in de normatief bemiddelde relatie van rechtssubjekten binnen een rechtsorde.De situering van deze nor-matieve bemiddeling binnen een als feitelijk referentiekader fungerende,specifieke rechtsorde vindt haar bepaling en empirische gestalte in de vorm van rechtsregels,rechtsinstituten en juristen als rech-tsdeskundigen.Het referentiekader van een specifieke rechtsorde wordt gedacht als een historisch con-tingente realisatie van een algemene voor het recht als zodanig constitutieve taalhandelingsstructuur.
 Gegeven deze voorstelling van zaken lijkt het mij correct de grondslagentheorie van het recht in eerste instantie op te vatten als dat deelgebied van weten-schappelijke taalhandelingen waarin de gron-dbegrippelijke structuur van het empirische domein van het recht wordt gereconstrueerd.En zoals steeds is hier weer het onderscheid van handelingscomponenten relevant:de domeinspecifieke grondbegrippen moe-ten worden geexpliciteerd en het voor het recht specifieke handelingskader gereconstrueerd.De begrippe-lijk opbouw van rechtswetenschap zoals ik die heb samengevat in schema 1,dient derhalve ,op basis van de analyses van Foqué en ’t Hart,te worden uitgebreid.Behalve voor de taalhandelingen van de leek en van de jurist moet er aan het schema een rij van cellen worden toegevoegd met betrekking tot de taal-handelingen van de rechtstheoreticus ( zie schema 3 ).  
 
Schema 3:de taalhandelingscontext van de rechtstheoreticus
 

 
 Tot zover heeft mijn analyse,naar ik meen,betrekking op de inhoud van het ( algemene ) rechtsbe-grip en nog niet op de draagwijdte ervan.79Deze laatste betreft de aard van de verhouding van de alle-daagse ervaringswerkelijkheid van het recht en de empirische werkelijkeid van het juridisch-wetenschap-pelijke taalhandelingsdomein.En het betreft de wijze waarop de feitelijkheid van alledag wetenschappe-lijk wordt ‘vertaald’in juridische feitelijkheid.
 
 
 
(8juli)memo
 
.wat auteurs ‘contrafactisch’ noemen  is mij nog teveel een hermeneutisch ‘angehaucht’ begrip.Te ver-vangen door reconstructief grondslagenonderzoek in termen van taalhandelingen waarvan de grondbegrippe-lijke structuur van maatschappelijke verschijnselen het product is.
.verhouding van alledaagse en empirisch-wetenschappelijke taalhandelingen gedacht ( =ontworpen) in ter-men van structuurovereenkomst (str.gelijkheid).
.domeinspecifieke grondslagentheorie is het samengaan van niet-empirisch gespecificeerde concepten
van een algemene maatschappijtheorie (concepten+alg.maatschappijmodel) en van explicitatie van domein-specifieke uitgangspunten (differentiatie en integratie)Zie schema 4 .
.reconstructie van ‘Vorverständnis’ die sturend is t.a.v. grondbegrippen van het recht
 
 
 
Interdependentie van contexten 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
context van
analytische
theorievor-ming
integra-tie
filosofische
grondslagentheorie
o.a. maatsch-appijtheore-tisch
grondmodel
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
differen-tiatie
grondslagentheorieën
van maatschappij-
wetenschappelijke disciplines
Eco
Soc
Recht
enz.
 
 
 
discipline-specifieke grondmodellen
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
context van
empirische
theorievor-ming
integratie
empirische interpre-tatie
en specificatie van
discipline-specifieke
grondmodellen
o.a.
ECO → BE
empirisch
grondmodel
van onderne-mings-
gebeuren
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
differen-tiatie
veldbetrokken uitwer-king
van deelproblematiek
berichtgeving
organisatie
financie-ring
marke-ting
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
context van
maatschap-pelijk
gebeuren
 
 
 
 
o.a. onderne-mings-gebeuren

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
79. Ik herneem hiermee de termen waarmee Foqué en ’t Hart het product aanduiden van de grondslagentheoretische begripsstrategie van het recht (zie eerder in de tekst ).

Noten
 
 (1) We stuiten hier op de grenzen van wat vanuit het perspectief van een in een interactiesituatie geïnvolveerde actor overzienbaar is. De aan dit perspectief inherente beperkingen kunnen in een sociaalwetenschappelijk discours gethematiseerd worden. In feite gebeurt dit vooral vanuit een systeemtheoretisch perspectief. Daarnaast hebben we te maken met de sociaalwetenschappelijke thematisering van de immanent gepercipiëerde procesgang van de interactie tussen actoren, dit is een handelingstheoretische benadering. Voor een coherent begrip van maatschappelijke processen zijn beide benaderingswijzen onmisbaar. Ik ga uit van de assumptie dat beide benaderingen complementair zijn en interdependent. Weliswaar zal mijn analyse in de voorliggende tekst vrijwel uitsluitend handelingstheoretisch zijn, al hoop ik in het slot van deze tekst met een enkel woord op de hier aangesneden problematiek terug te komen.
(2) Als ik goed inschat wat er aan de hand is, dan is het eerste het geval. Kuitenbrouwer schrijft een artikel in een landelijk dagblad om het lezende publiek te attenderen op een ontwikkeling in de maatschappelijke praktijk van alledag waaromtrent een discussie wordt gevoerd onder juristen. Deze discussie is weliswaar primair een discussie onder vakgenoten, maar verschillen in opvatting binnen het vakwetenschappelijke domein hebben repercussies op intuïties en taalgebruik.
(3) Nog even afgezien van de vraag wat er gebeurt in de overdracht en wie dat bepaalt. Ook overdrachtelijk taalgebruik heeft een eigenzinnige dynamiek die slechts ten dele samenvalt met de dynamiek van zin-verlenende interactie. Vgl.de diskussies omtrent wat Oevermann noemt een ‘objektieve hermeneutiek’ van ‘de wereld als tekst’ (Garz en Kraimer (1994))
(4) Bart Nooteboom, Plausibility in Economics in Economics and Philosophy 2 (2):197(1986) en zijn Plausibility and usefullness:critcism of Friedmans methodology,…