IV-2.2. Presentatie van mijn proefschrift op de promotiezitting (16 december 1982)

Geachte aanwezigen,

1. Een twaalfde stelling bij mijn proefschrift zou hebben kunnen luiden: de regel dat aan de Erasmus universiteit een promovendus de verdediging van zijn proefschrift aanvangt met een uiteenzetting over zijn onderzoek die ook voor een niet-deskundig publiek begrijpelijk is, geeft blijk van een voorbeeldige opvatting over de plaats die wetenschap in de samenleving toekomt. Uit wat ik over mijn onderzoek nu ga zeggen, moge blijken dat ik van harte instem met dit Rotterdamse gebruik.

2. Mijn studie handelt over het kader van sociaalwetenschappelijk onderzoek zoals dat door Jürgen Habermas is ontworpen. Weinig auteurs hebben in West-Duitsland en daarbuiten de afgelopen twee decennia zoveel aandacht getrokken als deze man, die nu 53 jaar is. Habermas heeft zich in de zestiger jaren duidelijk geprofileerd door zijn kritische analyses van de maatschappelijke en wetenschappelijke ‘status quo’ en door het doen van hervormingsvoorstellen  (vooral inzake de structuur van universitair onderwijs en onderzoek). Dat was in de tijd dat hij in Frankfurt opvolger was van Horkheimer professor  in filosofie en sociologie. Horkheimer is de geestelijke vader van de ‘kritische theorie’. De groep mensen die onder zijn leiding aan het ‘Institut für Sozialforschung’ aan deze theorie werkten (Marcuse, Fromm en Adorno horen daartoe), wordt tegenwoordig vaak aangeduid als ‘Frankfurter Schule’. In het voetspoor van deze mensen heeft Habermas zijn eigen variant van ‘kritische theorie’ ontwikkeld. In 1971 is hij, na ongeremde verering door studentengroeperingen en na de even ongeremde afwijzing die er snel op volgde, vertrokken naar Starnberg , om daar naast Carl Friedrich von Weizsäcker  directeur te worden van het ‘Max Planck Institut’ . Dit instituut is opgericht om onderzoek te doen naar de levensomstandigheden van onze wereld die zozeer het stempel draagt van wetenschap en wetenschappelijke techniek. Het onderzoek dat daar onder leiding van Habermas werd verricht, had als zwaartepunt de plaats en de functie van de sociale wetenschappen in ons maatschappelijk bestel.

Habermas’ publicaties zijn overwegend filosofisch en sociologisch, al passen ze slecht in de gangbare indelingen van deze disciplines. Dit heeft alles te maken met het feit, dat hij ernaar streeft – meer dan in het recente verleden gebruikelijk is geweest—wetenschappelijk en filosofisch onderzoek stelselmatig op elkaar te betrekken. Dit streven hangt samen met zijn overtuiging dat in onze samenleving aan wetenschap en wetenschappelijke deskundigheid een steeds belangrijker rol wordt toebedeeld. Hij is er niet zo gerust op, dat deze voortgaande verwetenschappelijking van onze wijze van samenleven uit zichzelf de menswaardigheid ervan bevordert. Hij hecht daarom groot gewicht aan analyse en onderzoek van de ideologische vooronderstellingen en de politiek invloed van het wetenschappelijk ‘bedrijf’. Het ontwikkelen van een theoretisch kader waarbinnen de zojuist aangeduide problematiek op verantwoorde wijze kan worden behandeld, noemt Habermas grondslagenonderzoek. In het afgelopen decennium heeft hij hierop zijn aandacht geconcentreerd. Of dit zo zal blijven, moeten we intussen afwachten. Onlangs heeft hij zijn post als directeur van het‘Max Planck Institut’ te Starnberg ingeruild voor een hernieuwd professoraat in Frankfurt.

3. Met Habermas’ verhuizing van Frankfurt naar Starnberg in 1971 heeft zich een belangrijke verandering voorgedaan in zijn benadering van maatschappelijke problemen. Hij blijft schrijven over actuele politieke   ontwikkelingen  (en in het land van Strauss klinkt dat anders dan in Frankfurt), en over specifieke filosofische en wetenschappelijke vraagstukken. Toch kan ik wel stellen , dat de laatste tien, twaalf jaar zijn aandacht van zulke maatschappelijke problemen verschoven is naar een ander maatschappelijk probleem dat hij zeer dringend vindt, zij het op de wijze waarop een lange-termijn-beleid dringend kan zijn. Naar zijn mening bestaat er in onze samenleving grote behoefte aan een kader waarbinnen de samenhang en de invloed op elkaar van politieke, wetenschappelijke en filosofische problematiek zo gedacht en onderzocht kan worden, dat dit kader ook richtinggevend kan zijn voor beleid.  Ik realiseer me wel hiermee te poneren, dat het beoefenen van wetenschap evenals filosoferen – in onze tijd, in onze samenleving—evenzeer maatschappelijke activiteiten zijn als het werk van een bouwvakker, een typiste, een leraar of een kunstenares. Met een enkel woord licht ik dit toe.

In onze samenleving zijn gaandeweg vele traditionele banden en zekerheden weggevallen die vroeger als vanzelfsprekend kader fungeerden voor het op elkaar betrekken van alle vormen van denken, spreken en handelen. Een strikt wetenschappelijke benadering van mens en wereld heeft de traditionele kaders ondermijnd, en biedt zelf geen alternatief dat mensen helpt een zinvolle wereld in stand te houden of op te bouwen, en dat hen motiveert om in hun doen en laten verantwoordelijkheid te aanvaarden voor elkaar.  Het ontwikkelen van een dergelijk kader behoort voortaan tot de verantwoordelijkheid en de taken van ons mensen. Hier ligt volgens Habermas een belangrijke nieuwe taak voor filosofen en wetenschappers. Deze taak zullen zij alleen in nauwe onderlinge samenwerking op een vruchtbare wijze kunnen aanpakken. Pas wanneer het lukt om zo’n kader te ontwikkelen, zal het ook mogelijk zijn op een verantwoorde en aanvaardbare wijze de sterke en de zwakke kanten, de mogelijkheden en de beperkingen van de tegenwoordig gangbare wetenschap te bespreken. Dan kan, op tijd en stond, een discussie over de maatschappelijke vooronderstellingen en consequenties van het wetenschappelijk handelen onderdeel uitmaken van het wetenschappelijk proces zelf, zonder dat dit afbreuk hoeft te doen aan de eisen van wetenschappelijkheid die voor deze context gelden.

4. In mijn proefschrift heb ik onderzocht hoe het kader waarnaar Habermas op zoek is, er volgens hem uit zou moeten zien en aan welke eisen het moet voldoen. Na wat ik u zojuist gezegd heb over de functies die het kader moet vervullen, kunt u vermoeden dat het ontwikkelen ervan een uiterst moeilijk en ambitieus project is. Met het onderzoeksprogramma waaraan Habermas sinds een jaar of tien werkt, probeert hij dit project af te bakenen en uitvoerbaar te maken. De vele bijdragen die hij hiertoe heeft geschreven, laten zien dat hij ook zelf nog steeds tastend zijn weg zoekt op nauwelijks begaan gebied, al worden de contouren van het onderzoeksveld steeds beter waarneembaar. Met mijn studie heb ik een voorlopige balans willen opmaken van de desbetreffende stand van zaken. Ik heb daartoe–voor het eerst zover ik kan nagaan–duidelijke verbanden weten aan te brengen tussen alle thema’s die Habermas als bouwstenen voor zijn onderzoeksprogramma heeft aangedragen. Op basis van dit overzicht , en gezien het feit dat ik de sterke onderlinge samenhang van alle thema’s nauwkeurig heb kunnen bepalen, durf ik te stellen dat Habermas inderdaad een theoretisch kader heeft afgebakend dat voldoet aan de gestelde eisen. Het is aldus een kader waarbinnen de samenhang en de invloed op elkaar van politiek, wetenschappelijk en filosofisch handelen op systematische wijze gedacht kunnen worden. Ook wijst het wegen waarlangs concreet onderzoek van deze samenhang en wisselwerking uitvoerbaar kan worden gemaakt.

5. Ik verwacht niet, dat na mijn promotie sociale wetenschappers meteen op de stoep zullen staan om te horen hoe het nu zit met de nieuwe grondslagen. Dat is maar goed ook. Wat ik in mijn studie zeg over de methode van sociale wetenschap betreft immers alleen het kader ervan. Inzicht hierin is onmisbaar, maar zegt anderzijds , algemeen geformuleerd als het is, nog niets over concreet sociaalwetenschappelijk onderzoek. In de naaste toekomst hoop ik de vruchtbaarheid en het maatschappelijk belang van dit kader aannemelijk te kunnen maken. Ik wil dat onder andere doen door te laten zien, hoe bijvoorbeeld problemen die in de economische wetenschap al decennia lang tot serieuze controverses aanleiding geven, in dit nieuwe kader geherformuleerd en beslisbaar gemaakt kunnen worden. Door dit te proberen kan pas blijken wat het kader echt waard is voor de praktijk van sociaalwetenschappelijk onderzoek. Het spreekt voor zich dat ik voor het genoemde onderzoek aangewezen ben op nauwe samenwerking met economen. Hetzelfde geldt voor gelijkaardige problemen in andere disciplines. Wanneer trouwens dit proefschrift, naar ik van harte hoop, kan bijdragen aan een hernieuwde belangstelling voor grondslagenonderzoek, dan is dit zeker ook te danken aan het feit, dat het de jaren door in gesprek en confrontatie met sociale wetenschappers tot stand is gekomen.

Rotterdam, 16 december 1982