II-8. Over de rechtswetenschap en haar relatie tot andere sociale wetenschappen: de onmisbaarheid van een maatschappijtheoretisch denkkader

Inleiding

Wat me intrigeert in het stimulerende boek Instrumentaliteit en rechtsbescherming1 is te weten wat in de zienswijze van Foqué en ’t Hart het wetenschapstheoretisch en methodologisch statuut is van rechtswetenschap. Het is een onderwerp dat in het boek op vele plaatsen aan de orde komt. De meest uitvoerige behandeling krijgt het in de hoofdstukken 7 en 8, waar de verhouding van rechtswetenschap met andere sociaalwetenschappelijke disciplines wordt gethematiseerd. Ik heb me de vraag gesteld, of rechtswetenschap volgens de auteurs een maatschappijwetenschap is naast en temidden van andere maatschappijwetenschappen of dat het in hun optiek een maatschappijwetenschap `hors catégorie’ is. Het antwoord op deze vraag is minder eenduidig dan men wellicht zou verwachten. Voor beide standpunten zijn in IR argumenten te vinden.

In IR ontwikkelen de auteurs hun zienswijze op rechtswetenschap als empirische wetenschap in een kritische analyse van de binnen de wetenschappelijke gemeenschap van juristen overheersende zienswijze. Volgens deze is de vigerende rechtsdogmatiek de plaats waar, als het ware in één beweging, zowel de maatschappelijke relevantie van het vak alsook de rechtvaardiging van haar statuut worden geregeld. Dit wil zeggen dat de opgave om de in de rechtsdogmatiek feitelijk voorgestane conceptie omtrent de aard van de verhouding tussen rechtswetenschap en de maatschappelijke realiteit te expliciteren en te beargumenteren, theoretisch en praktisch niet wordt onderscheiden van de opgave om maatschappelijk relevante empirische kennis te genereren. Dit leidt tot kennistheoretische en methodologische impasses die serieuze consequenties hebben2. De eerste opgave vergt het ontwikkelen van een kader dat geschikt is om het verband tussen alledaagse problematiek en de wetenschappelijke (discipline-specifieke) thematisering hiervan te articuleren. De auteurs karakteriseren het vereiste kader als grondslagentheoretisch. De tweede opgave vergt het expliciteren van de procesgang waarin de omvorming3 van alledaagse problematiek in een wetenschappelijke probleemstelling kan worden voltrokken, en – als pendant hiervan – de omvorming van wetenschappelijke uitkomsten tot aanbevelingen die geschikt geacht kunnen worden bij te dragen aan de oplossing van een concreet-maatschappelijke problematiek, al dan niet in samenspel met andere disciplines. Voor het op een theoretisch bevredigende wijze uitvoeren van beide taken, in samenhang met elkaar maar ook duidelijk van elkaar onderscheiden, achten Foqué en ’t Hart een grondslagentheorie onmisbaar; en ik ben het hier zeer mee eens.

In hun studie maken de auteurs hun betoog inzake de onmisbaarheid van een grondslagentheorie zeker aannemelijk voor de rechtswetenschap. Wanneer evenwel de verhouding van rechtswetenschap met andere sociaalwetenschappelijke4 disciplines aan de orde komt, ontstaat een merkwaardige dubbelzinnigheid. Deze dubbelzinnigheid vloeit voort uit het mijns inziens te beperkte grondslagentheoretische kader dat zij voor de situering van rechtswetenschap aanreiken. In het inleidend hoofdstuk (IR, p. 33) wordt weliswaar aandacht gevraagd voor de situering van het grondslagenonderzoek van het recht in het ruimere veld van het grondslagenonderzoek van de maatschappijwetenschappen, maar de analyses die de verhouding tussen rechtswetenschap enerzijds en sociologie, criminologie en beleidswetenschap anderzijds tot onderwerp hebben, doen eerder afbreuk aan dit perspectief dan dat zij het dichterbij brengen.

Mijn bijdrage is als volgt opgebouwd. Om te beginnen wil ik de zienswijze schetsen die de auteurs in deze studie voorstaan met betrekking tot het recht als empirische sociale wetenschap. Ik vind hun analyse van de procesgang waar het de omvorming betreft van alledaagse problemen in een wetenschappelijke probleemstelling heel overtuigend. En ik zal aanduiden (meer is in het bestek van deze bijdrage niet mogelijk) waarom ik denk dat deze analyse van de gelaagde en complexe opbouw van juridische empirie zeer leerzaam is voor wie meer zicht wil krijgen op de begrippelijke structuur van andere sociale wetenschappen, bijvoorbeeld economie. Daarna laat ik zien hoe en waarom de grondslagentheoretische verantwoording van deze zienswijze leidt tot een mijns inziens ongerechtvaardigde claim, inhoudende dat maatschappelijke ordening en juridische ordening coëxtensieve begrippen zijn. En ik duid de onderzoeksrichting aan waarin de gesignaleerde overwaardering van het juridische met betrekking tot de constitutie van maatschappelijke orde kan worden gecorrigeerd. Daarvoor is het nodig maatschappijtheoretische grondbegrippen te ontwikkelen die het mogelijk maken zowel de samenhang te articuleren van de aspecten van de concrete maatschappelijke werkelijkheid waarop rechtswetenschap en andere sociale wetenschappen zich richten als ook de interdependentie van deze disciplines zelf.

De begrippelijke opbouw van een empirische rechtswetenschap

Voor een schets van deze opbouw lijkt de rechtspraktijk een goed vertrekpunt. Het is de plaats waar het narratieve weten van de (juridische) leek en het narratieve weten van de praktijkjurist samenkomen binnen het kader van een rechtsorde. Ik noem in dit verband het particuliere verhaal over de concrete belevingswerkelijkheid van individuele personen of groepen de uitdrukking van het narratieve weten van de leek, terwijl het narratieve weten van de praktijkjurist vorm krijgt in het verhaal dat hij als deskundige vertelt. Het verhaal van de jurist is binnen het betoog van Foqué en ’t Hart de concretisering van de rechtsdogmatiek in een concreet rechtsgeding en als zodanig brengt het diens begrijpen (`Verständnis’) van het recht tot uitdrukking. Het verhaal van de leek is de mededeelbare gestalte die zijn voor anderen niet rechtstreeks toegankelijke werkelijkheidsbeleving krijgt in het licht van zijn persoonlijk begrijpen van de werkelijkheid (ook een vorm van `Verständnis’). En in de interactie met anderen wordt hierdoor deze werkelijkheidsbeleving in ervaring(swerkelijkheid) omgevormd. Daarom kunnen de auteurs zeggen, dat het narratieve weten van de leek twee lagen heeft: `enerzijds een ordenende structuur5 die de noodzakelijk voorwaarde is voor de betekenisrelevantie van de vertelde feiten, en anderzijds het relaas van die feiten zelf’ (IR, p. 388). Een hiermee vergelijkbare gelaagdheid vertoont volgens hen ook het narratieve weten van de praktijkjurist: enerzijds de ordenende structuur van de rechtsdogmatiek die de noodzakelijke voorwaarde is voor de juridische betekenisrelevantie van de aanhoorde en onderzochte feiten, en anderzijds de uiteenzetting van die feiten. En het verhaal van de praktijkjurist leidt – eveneens in samenspel met anderen, namelijk al degenen die zoals hij een rol vervullen in het rechtsgeding (IR, p. 373) – tot de ervaringswerkelijkheid van het positieve recht oftewel de juridische empirie6.

Foqué en ’t Hart willen nader inzicht krijgen in de aard van de verhouding van ervaringswerkelijkheid en juridische empirie. Naar hun oordeel immers is het standpunt dat men omtrent deze relatie inneemt van beslissend belang waar het gaat om het vermijden van naturalisering van het rechtsdenken en van rechtslegalisme enerzijds en van een homogene beleidscultuur inzake het juridische anderzijds. Het standpunt dat zij in deze zelf innemen en met klem van argumenten verdedigen, maakt het denken over deze relatie in termen van een eenduidige afbeeldingsrelatie, respectievelijk van een eenduidige toepassingsrelatie een moeilijk houdbare positie. Het bepalen van de verhouding tussen de ervaringswerkelijkheid van alledag en de juridische empirie vindt volgens de auteurs plaats binnen een rechtsorde7. Het is de feitelijkheid hiervan, die teruggaat op een conceptuele inventie en een maatschappelijke innovatie, die deze verhouding tot een kwestie van maatschappelijk belang maakt. En wel om twee redenen.

Deze feitelijkheid houdt allereerst in, dat het denken over die relatie altijd geleid wordt door wat Esser een `Vorverständnis’ heeft genoemd, een impliciet in het narratieve weten van zowel de leek als de jurist werkzaam aanwezig standaard`verhaal’ over de werkelijkheid waarin het recht te gelden heeft (IR, p. 380). De mogelijkheid dat er discrepanties optreden tussen de impliciete werkelijkheidsvoorstelling van dit `Vorverständnis’ en de expliciete werkelijkheidsvoorstelling van de leek (`common sense’) en van de jurist (diens `Verständnis’ van de rechtsdogmatiek) is hiermee gegeven. Ook de eis, die de auteurs tot de hunne maken, dat concretisering van het positieve recht in een rechtsgeding en de in het recht vervatte werkelijkheidsvoorstelling op een herkenbare wijze op elkaar betrokken blijven, vindt in de feitelijkheid van een rechtsorde haar rechtvaardiging (IR, p. 363)8. Het `Vorverständnis’ is een impliciet weten dat het expliciete weten van zowel de leek als de jurist draagt, het zijn de gedeelde vooroordeelsschemata van een samenleving, terwijl `Verständnis’, de ordening-schema’s van het verhaal van de leek, respectievelijk van de jurist, in principe het verschil tussen beide verhaalcontexten markeert. Ik zeg `in principe’, omdat in een analyse als deze de begrippelijke opbouw van het rechtsdenken wordt geanalyseerd, en niet het idiosyncratische assortiment aan begrippen waardoor een individuele persoon zich laat leiden. Tot dit assortiment horen zeker de `ongeëxpliciteerde theorieën’ die in IR, met Lautmann, `Alltagstheorien’ worden genoemd, en die volgens de auteurs vooral een rol spelen in de concretisering van theoretische leerstukken (IR, p. 278). In het vervolg van mijn betoog laat ik deze `Alltagstheorien’ verder buiten beschouwing. Zij discrimineren ook niet tussen leken en deskundigen. Om dezelfde reden laat ik mogelijke verschillen tussen het hier bedoelde `Vor-verständnis’ en het `Verständnis’ van individuele leken en individuele juristen buiten beschou-wing.

Er is nog een tweede reden waarom de feitelijkheid van een rechtsorde van belang is voor het denken over de verhouding van ervaringswerkelijkheid en juridische empirie. De feitelijkheid van een rechtsorde precodeert ook het dubbelzijdig proces van juridisering van de alledaagse ervaring en van het concrete individu tot rechtssubject, evenals de empirisering van juridische begrippen. De rechtsorde als geheel van bestaande juridisch-institutionele voorzieningen èn beperkingen, waartoe niet in de laatste plaats de juridische taal behoort, kanaliseert de verhalen van leek en deskundige. Zo komt het mij bijvoorbeeld heel aannemelijk voor dat juridisering evenals empirisering nogal verschillende accenten krijgt al naargelang de juridische subdiscipline die geïnvolveerd is, strafrecht dan wel staatsrecht of burgerlijk recht (enz.). Zonder rechtsorde is er geen rechtspraak en is het niet mogelijk rechtsaanspraken tot gelding te brengen. Weten hieromtrent maakt mijns inziens deel uit van het impliciete standaard`verhaal’ van het door leek en deskundige gedeelde `Vorverständnis’.

Hieronder (schema 1) vat ik samen wat tot nu toe duidelijk is geworden omtrent de zienswijze van Foqué en ’t Hart op de begrippelijke opbouw van rechtswetenschap.

Schema 1: twee contexten van narratief weten

narra-tiefweten handelingscomponenten uitgangs-punt (`Stoff’) object
conceptueel  materieel
leek .Vorverständnis⋅ ordeningsschema’s (common  sense) feitelijke  rechtsorde/ relaas van  feiten belevings-werkelijkheid ervarings-werkelijkheid
jurist ⋅ Vorverständnis
⋅ordeningsschema’s (rechtsdogmatiek)
⋅feitelijke  rechtsorde
⋅uiteenzetting  van feiten
ervarings-werkelijkheid juridische empirie

Met dit gestileerde overzicht wil ik vooral aandacht vragen voor de overeenkomst qua opbouw van het narratief weten in de twee contexten, die van de leek en die van de deskundige. Elk van beide contexten heeft een eigen `Stoffbestimmtheit’. De plaats die in beide contexten de erva-ringswerkelijkheid inneemt wijst op de samenhang van beide contexten en op de sleutelpositie die de ervaringswerkelijkheid inneemt in het generen van maatschappelijk relevante empirisch-wetenschappelijke kennis.

De genuanceerde behandeling die in het betoog van de auteurs wordt gegeven aan de voorwetenschappelijke en de wetenschappelijke omgang met werkelijkheid is geenszins vanzelfsprekend. Zo vind je hierover in de gangbare inleidingen in wetenschapsfilosofie bijzonder weinig10 en ook in wetenschappelijke studieboeken voor eerstejaars studenten is het al niet beter. Dit heeft slechts ten dele te maken met de nauwe binding die wetenschapsfilosofische verhandelingen, ook op het gebied van de maatschappijwetenschappen, veelal hebben met de (sterk geschematiseerde) voorstelling van de zogenaamde natuurwetenschappelijke methode. Het is veeleer een gevolg van het feit, dat `in de regel het empiriebegrip niet wordt geëxpliciteerd en daarmee in de betekenis van het triviale spraakgebruik (wordt) ingevoerd’ (Bonsz, Die Einübung, p.  18). In zijn boek brengt deze auteur een aantal argumenten naar voren (zie met name de eerste twee hoofdstukken) die steun bieden aan de hierboven omschreven zienswijze op rechtswetenschap van Foqué en ’t Hart. Hun analyse is een uitstekend voorbeeld van wat Bonsz noemt `een vormverandering van het wetenschappelijk werk tengevolge waarvan theoretische evenzeer als empirische vormen van weten structureel veranderen en de traditionele grenzen tussen beide gebieden gaan wankelen’ (Bonsz, Die Einübung, p. 10)11. Dit heeft grote consequenties voor ons begrip van de grenzen en mogelijkheden van wetenschap.

Empirische theorie en grondslagentheorie

In de historische reconstructie van Foqué en ’t Hart wordt de introductie van grondbegrippen die de rechtsorde in moderne democratische samenlevingen bepalen historisch getraceerd en gedateerd. Montesquieu en Beccaria hebben een nieuwe betekenisruimte gecreëerd met het ontwikkelen van een nieuw denkkader. Dat denkkader krijgt maatschappelijk gestalte en betekenis vanaf het moment dat het gaat functioneren als normatief referentiekader bij het herinrichten van de samenleving. Deze herinrichting leidt, wanneer we alleen naar het recht kijken12, tot de gelijktijdige creatie van een rechtsorde, van juridische subjecten en juridische praktijken. Het denkkader dat conceptueel in nieuwe juridische grondbegrippen tot uitdrukking werd gebracht krijgt in dit proces een maatschappelijke invulling en concretisering. Anders gezegd: er ontstaat een (specifieke) maatschappelijke betekenisruimte die haar ordening ontleent aan het grondbegrippelijke kader van het in moderne zin verstane recht. Die ruimte vormt evenwel tevens een historisch-specifieke, en daarmee geenszins uitputtende, articulatie en invulling van de conceptuele betekenisruimte. Om met de auteurs te spreken: de conceptuele betekenisruimte van de begrippen blijft empirisch onderbepaald. De rol die Montesquieu speelt in de ontwikkeling van het moderne rechtsbegrip is hiervoor in de uiteenzetting van de auteurs exemplarisch (IR, pp. 81-83). Het door hem geformuleerde constitutionele leerstuk van de trias politica is een eerste bijdrage aan `de wording van het denkkader van de hedendaagse rechtsorde’ (IR, p. 34). Het heeft een veel verdergaande strekking dan het concrete politieke probleem waarmee hij zich in zijn tijd geconfronteerd weet, omdat het een antwoord is op de veelomvattender vraag naar het belang van het recht als noodzakelijk kader voor het reguleren van machtsvorming en machtsuitoefening. Het leerstuk van de trias politica is er op `gericht het functioneren van de staatsmacht niet louter aan het feitelijke spel van de ongedeelde macht over te laten, maar dit te bemiddelen en te begrenzen door het opleggen van een (kunstmatige) juridische structuur welke die bemiddeling tegelijk ook institutionaliseert’ (IR, p. 81). `De bemiddelende instantie die dit teweegbrengt, is het recht in het algemeen en de staatsrechtelijke organisatiestructuur in het bijzonder’ (IR, p. 82). `Het moderne rechtsdenken werd tot ontwikkeling gebracht als een tegenmodel van despotische machtsuitoefening, maar dit ontwikkelingsproces is slechts mogelijk geweest door het analytisch uitwerken van een grondslagentheoretisch denkkader dat een historisch localiseerbare rol diende te dragen maar dat tegelijkertijd van veel algemenere betekenis was’ (IR, p. 144).

Met het onderscheid van een conceptuele en een empirisch-maatschappelijke betekenisruimte verbinden Foqué en ’t Hart het onderscheid van een grondslagentheorie en een empirische theorie (IR, p. 145). In de voortgezette analyse van de begrippelijke opbouw van de empirische wetenschap van het recht is het van belang de precieze aard van dit onderscheid op te helderen. In een aantal passages van IR wordt gaandeweg nader inhoud gegeven aan dit onderscheid. Op de zojuist genoemde plaats waar het onderscheid expliciet met deze benamingen wordt ingevoerd, vinden we de volgende bepaling. De term empirische theorie betreft `een theorie en een begrippenapparaat die uitdrukking geven aan de heersende stand van zaken of aan een na te streven alternatieve stand van zaken’. De naam grondslagentheorie wordt gegeven aan `een theorie en een begrippen-apparaat die niet rechtstreeks op de articulatie van feitelijke constellaties zijn gericht, maar het kader aangeven waarin feitelijkheid en theoretische vertaling van feitelijkheid op elkaar betrokken kunnen worden’. Een van de redenen voor het maken van dit onderscheid is het gegeven, dat het in de lopende strafrechtelijke waardendiscussie niet mogelijk is de `coherentie en de contextualiteit van de in het geding zijnde waardenpatronen’ articuleerbaar te maken (IR, p. 29). Het streven (maatschappelijk relevante) empirische kennis te genereren krijgt vorm in een begripsstrategie welke gebaseerd is op conceptuele uitgangspunten en vooronderstellingen die in het proces van empirisering niet zelf ter discussie staan. Om ze ter discussie te kunnen stellen zijn andere conceptuele middelen en een andere begripsstrategie vereist. Het vergt een probleemstelling waarin de aandacht wordt gericht op `de inhoud en de draagwijdte van het rechtsbegrip zelf’ en de `consequenties daarvan voor de inhoud van het beleidsbegrip’ (IR, p. 31). Zij zal zichtbaar moeten maken op welke wijze de eigen kennisstructuur van het recht –  de wijze waarop het recht tot een specifieke kennis van de werkelijkheid komt13 – bepalend is voor de normatieve dimensie die aan die werkelijkheid in het recht wordt toegekend en voor de wijze waarop die werkelijkheid wordt geordend. Grondslagentheorie van het recht is dan niet hetzij een ethiek hetzij een politieke filosofie of een kenleer die als fundament onder het recht ligt, maar een explicitatie van de onderlinge samenhangen tussen de ethisch-normatieve, de maatschappijtheoretische en de kennistheoretische componenten van het rechtsbegrip die in dat begrip geïmpliceerd worden’ (IR, pp. 32-33). Voor een goed begrip van de positie van Foqué en ’t Hart zijn de geciteerde teksten van bijzonder groot belang. Zij maken duidelijk dat volgens deze auteurs de ervaringswerkelijkheid van alledag wordt omgevormd tot de normatieve werkelijkheid van het juridische, en dat de aldus ontstane nieuwe empirische werkelijkheid geordend is overeenkomstig de aan het rechtsbegrip inherente structuur. Wanneer we de alledaagse ervaringswerkelijkheid als eerste orde beschouwen, brengt ten opzichte van deze, de nieuwe empirische werkelijkheid van het juridische een tweede-orde-structuur aan, waarvan het voornaamste kenmerk gelegen is in de normatief bemiddelde relatie van rechtssubjecten binnen een rechtsorde. En wegens de situering van deze normatieve bemiddeling binnen een rechtsorde heeft de bemiddeling een empirische gestalte in de vorm van rechtsregels, rechtsinstituten, rechtspersonen en dienaren van het recht.

De grondslagentheorie van Foqué en ’t Hart is domeinspecifiek

Ik ga er vanuit dat er steekhoudende argumenten zijn voor de veronderstelling, dat zorgvuldige analyse van de wetenschapspraktijk van alle andere empirische maatschappijwetenschappen een begrippelijke opbouw te zien geeft die overeenkomt met die van de rechtswetenschap14. Ook daar gelden mijns inziens de argumenten die met betrekking tot het recht om het onderscheid vragen van empirische theorie en grondslagentheorie15. Is dit ook de zienswijze van Foqué en ’t Hart wanneer zij in de hoofstukken 7 en 8 verschillende manieren documenteren en bekritiseren om rechtswetenschap en sociaalwetenschappelijke disciplines op elkaar te betrekken? Is voor hen zoals voor mij rechtswetenschap een sociale wetenschap naast en temidden van andere sociale wetenschappen, of is rechtswetenschap een sociale wetenschap `hors catégorie’ of zelfs de sociale wetenschap bij uitstek? Ik zie in de wijze waarop de auteurs de begrippelijke opbouw van rechtswetenschap bespreken, geen enkele reden om grondslagentheoretisch aan het recht voorrang toe te kennen op de andere sociale wetenschappen. Toch zijn er in IR een aantal uit-spraken te vinden die mij ertoe brengen hun opvatting in dit opzicht op zijn minst dubbelzinnig te noemen, zo ze al niet elementen van tegenspraak bevat. Vóór ik zulke passages citeer en becommentarieer wil ik enkele meer algemene overwegingen naar voren brengen die kunnen verduidelijken waarom ik de verdenking heb dat de auteurs een eenzijdig-juridische visie hebben op het vraagstuk van maatschappelijke orde.

De studie van Foqué en ’t Hart is in tweevoudige zin een reconstructie: een historisch-empirische reconstructie van de wordingsgeschiedenis van het denkkader van de rechtsorde zoals we die in onze streken kennen, maar ook – en ten principale – een theoretische reconstructie van de minimale vereisten waaraan een maatschappelijke orde moet voldoen wil ze terecht een rechtsorde kunnen worden genoemd16.  In IR wordt op overtuigende wijze aangetoond, dat in onze tijd en met betrekking tot de moderne voorgeschiedenis van de institutionele inrichting van het menselijk samenleven in met name de westerse demokratieën, een begrip van maatschappelijke orde ondenkbaar is (in de strikte zin van het woord) zonder daarin de constitutieve betekenis van het rechtsbegrip te verdisconteren. Geldt dit evenwel ook niet voor de begrippen van economie en politiek? In IR wordt duidelijk dat voor het begrip politiek in zijn moderne betekenis geldt dat het niet onafhankelijk van de maatschappelijk-institutionele betekenisruimte van het recht gedefinieerd kan worden (ik kan op dit punt terugwijzen naar (p. 8). Anders gezegd: politieke ordening vergt juridische vormgeving. Politieke orde veronderstelt in de moderne rechtsstaat een juridische orde. Naar ik aanneem – in IR blijft dit buiten beschouwing – geldt iets vergelijkbaars voor de definitie van de begrippen recht en economie, rechtsorde en economische orde. Wanneer nu de minimale vereisten geformuleerd worden waaraan een maatschappelijke orde moet voldoen om terecht een rechtsorde genoemd te worden, dan is dat een legitieme en zeer verhelderende ingang in het vraagstuk van maatschappelijke orde. Ik stel hier tegenover dat op vergelijkbare wijze minimale vereisten te formuleren zijn waaraan een maatschappelijke orde moet voldoen om terecht een economische dan wel een politieke orde genoemd te worden. Een van de conclusies waartoe dit zou leiden is, dat juridische ordening in het kader van een maatschappelijke orde politieke en economische vormgeving vergt; en dat de betekenis van het (moderne) rechtsbegrip niet onafhankelijk van de maatschappelijk – institutionele betekenisruimte van de economie en van de politiek kan worden gedefinieerd. Wanneer deze gedachtengang steek houdt, dan heeft niet alleen het rechtsbegrip constitutieve betekenis voor het begrip maatschappelijke orde, maar ook het begrip politiek en het begrip economie. Dit betekent natuurlijk ook dat in een empirisch maatschappijmodel dat past bij het moderne begrip van maatschappelijke orde, deze verschillende betekenisruimtes of domeinen een plaats toegewezen moeten krijgen.

Het begrip maatschappelijke orde krijgt binnen het denkkader dat Foqué en ’t Hart introduceren een andere, nieuwe betekenis omdat alleen zo op adequate wijze theoretisch gearticuleerd kan worden wat de conceptuele inventies van Montesquieu en Beccaria voor het denken over recht tot op de dag van vandaag betekenen. Het onderscheid van grondslagentheorie en empirische theorie vormt een cruciaal onderdeel van deze theoretische reconstructie. De relevantie van dit onderscheid heeft alles te maken met de differentiatie die in de nieuwe tijd tot ontwikkeling komt binnen het theoretisch weten: enerzijds wijsgerige reflexie, anderzijds empirische wetenschapsbeoefening. Een differentiatie die zelf niet los te zien valt van de herinrichting van de maatschappij in het licht van conceptuele  inventies o.a. leidend tot de maatschappelijke innovatie dat een meervoud van onderscheidbare betekenisdomeinen institutioneel  wordt afgebakend, waaronder de domeinen van het recht, van de economie en van de politiek. De ontwikkeling van een meervoud van maatschappijwetenschappelijke disciplines is de verwerking van deze maatschappelijke innovatie  in de context van kennis- en wetenschapstheorie. De reconstructieve analyses van IR bieden mijns inziens een voortreffelijke invulling van de constitutieve betekenis die recht en rechtswetenschap (in onderlinge samenhang) hebben voor de conceptuele en maatschappelijke betekenisruimte die met het vernieuwde begrip `maatschappelijke orde’ wordt aangeduid. Hun analyses zijn evenwel grond-slagentheoretisch gesproken domeinspecifiek, dat wil zeggen zij blijven gebonden aan het eenzijdige perspectief op maatschappelijke orde dat inherent is aan recht en rechtswetenschap17. De institutionele domeinspecificaties van de moderne tijd en de empirisch-wetenschappelijke differentiatie van disciplines die hierop geënt is (met als consequentie een meervoud aan wetenschappelijke empirieën) vragen mijns inziens grondslagentheoretisch om een meer omvattend denkkader dan in IR geboden wordt, een denkkader dat toestaat die interdependentie van maatschappelijke domeinen, respectievelijk van maatschappijwetenschappelijke disciplines, in een omvattend begrip van maatschappelijke orde en in een daarop afgestemd maatschappij- en wetenschapsmodel te articuleren.

Het zou mij spijten wanneer deze overwegingen vooral gelezen worden als kritiek op het werk van Foqué en ’t Hart. Het is veeleer zo dat ik hun boek als een uiterst rijke bijdrage en een welkome uitnodiging en stimulans beschouw voor voortgezette discussie over het vraagstuk van maatschappelijke orde, en over het op het gebied van de maatschappijwetenschappen daarmee verbonden vraagstuk van interdisciplinariteit18.

In een ander recent artikel van Habermas, `Soziologie in der Weimarer Republik’ (Habermas 1991, pp. 184-204), wordt een beeld geschetst van sociologie waarin met betrekking tot sociologie een vergelijkbare claim en een overeenkomstige dubbele betekenis terug te vinden is: `Gleichwohl bildet sie das Herzstück der Sozialwissenschaften; denn die Soziologie war immer schon Fach und Superfach, Soziologie und Gesellschaftstheorie in einem’ (Habermas 1991, p. 184) Het is een zienswijze die, zoals het artikel uitvoerig documenteert, nauw verweven is met de ontwikkelingsgeschiedenis van het vak sociologie. `Es gibt gute historische und sachliche Gründe dafür, dasz die gesellschaftstheoretische Aufgaben an der Soziologie hängen geblieben sind; zwingend is diese Kombination nicht’ (Habermas 1991, p. 204). Habermas stelt in deze tekst een andere begripsstrategie voor. Naar ik meen spoort hiermee de door mij in dit artikel ingenomen positie. Ik heb het betreffende artikel van Habermas pas in handen gekregen na afsluiting van de voorliggende bijdrage.

Terug nu naar de uitspraken die mij de vraag doen stellen, of de auteurs zich wel bewust zijn van de eenzijdigheid van hun grondslagentheorie wat betreft het vraagstuk van maat-schappelijke orde. `Maar als de feiten zich keren tegen de wet, waar komt de kennis van die feiten dan vandaan?’ (IR, p. 216) Met deze vraag openen Foqué en ’t Hart hun boeiende uiteenzetting in de hoofdstukken 7 en 8 over de wijze waarop de afgelopen twee eeuwen de positie van de rechtswetenschap ten opzichte van de sociale wetenschappen, met name dan sociologie en criminologie, is bepaald. Bij Comte is er sprake van een concurrentieverhouding, die volgens de analyse van de auteurs in werkelijkheid een onderlinge vervangbaarheid impliceert. Bij Durkheim wordt het recht tot onderdeel gemaakt van de sociologie. Door de Nieuwe Richting wordt een geïntegreerde (straf)rechtswetenschap voorgestaan, maar de auteurs wijzen erop dat de voorgestane integratie kennis- noch wetenschapstheoretisch wordt geanalyseerd. Van de positie waarin beide vakgebieden als communicerende vaten worden voorgesteld, zeggen de auteurs dat ze – evenals dat bij De Nieuwe Richting het geval is – berust op een niet als problematisch onderkende vermenging van juridische en sociaalwetenschap-pelijke noties. Wat de hedendaagse discussie betreft besteden ze uitvoerige aandacht aan het hernieuwde pleidooi voor geïntegreerde rechtswetenschap door Fijnaut en geestverwanten. Het is vooral in discussie met deze laatste positie dat de auteurs hun eigen zienswijze ontwikkelen op een grondslagentheoretische bemiddeling van recht en sociale wetenschap. In de uitvoerige bespreking van de positie van Fijnaut (IR, pp. 277-292) zijn de passages te vinden waarin naar mijn mening de dubbelzinnigheid van IR inzake de status van een rechtswetenschap het duidelijkst aanwijsbaar is. Ik beperk mij kortheidshalve ook tot deze passages.

De door Fijnaut beoogde integratie heeft tot doel een eenheidswetenschap te ontwikkelen waarin de beide partners, het strafrecht en de sociale wetenschappen met inbegrip van de criminologie, `op voet van gelijkwaardigheid’ participeren’ (IR, p. 277). Zo beginnen Foqué en ’t Hart hun analyse van de positie van Fijnaut. Zij interpreteren `op voet van gelijkwaardigheid’ in eerste instantie als: gelijkwaardige inbreng zodanig dat voorkomen kan worden dat de sociale wetenschappen als hulpwetenschappen van het recht worden beschouwd. En in deze zin wordt de positie van Fijnaut als een vooruitgang opgevat in vergelijking met de opvatting van von Liszt en van Hamel (IR, p. 277). De auteurs stellen zich nu, in het kader van hun eigen probleemstelling, de vraag hoe een dergelijk pleidooi voor gelijkwaardigheid grondslagentheoretisch kan worden gelegitimeerd. Bij Fijnaut zelf wordt de voorgestane gelijkwaardigheid niet grondslagentheoretisch verantwoord. Het in navolging van Lautmann en Opp toedelen aan de sociale wetenschappen van een kritische rol met betrekking tot het (straf)recht is volgens de auteurs van IR zeker een verrijking te noemen van het zicht op de verhouding van recht en sociale wetenschap. Deze kritische rol bestaat in het expliciteren van wat Lautmann `Alltagstheorien’ heeft genoemd19. Het kunnen vervullen van deze rol is evenwel op zichzelf nog geen grond om te concluderen tot de gelijkwaardigheid van recht en sociale wetenschappen. En het toedelen van deze rol kan een grondslagentheoretische verantwoording geenszins vervangen (IR, pp. 278-279). Na deze vaststelling wordt niettemin `het problematiseren van in de heersende leer van het recht verborgen werkelijkheidsvoorstellingen’ als een stap gezien – een belangrijke stap – in een omvattender proces van betekenisverlening (IR, p. 280). De karakterisering van dit omvattender proces wordt in de meest algemene termen gegeven. Zeer abrupt wordt nu in het vervolg van de tekst ten aanzien van dit algemene proces van betekenisverlening aan de contrafaktische begripsstructuur van het recht een soort monopoliepositie toegekend. Ik citeer eerst vrijwel een hele bladzijde, omdat ze naar mijn mening indicatief is voor de dubbelzinnigheid van de grondslagentheoretische positie van Foqué en ’t Hart en ik laat dan het citaat volgen door mijn commentaar.

‘Dit problematiseren is een belangrijke stap die gezet moet worden in een omvattender proces van betekenisverlening aan situaties, handelingen en handelingscontexten van mensen. Tot ditzelfde proces van betekenisverlening behoren ook nog andere componenten, bijvoorbeeld van ethische of wereldbeschouwelijke aard. Bovendien is dit betekenis-verleningsproces geen onbegrensd gebeuren dat zich onttrekt aan elk kader en daardoor overgeleverd zou zijn aan de despotische willekeur van de betekenisverlener. Het moderne recht, niet in de betekenis van heersende leer met betrekking tot feitelijke contexten maar in de betekenis van contrafaktische begripsstructuur, vervult juist de functie despotische willekeur onmogelijk te maken. De contrafakticiteit van de juridische begrippen stelt grenzen ten aanzien van het steeds opnieuw te verrichten proces van betekenisverlening aan handelingen, situaties en handelingscontexten opdat die betekenisverlening niet zal verworden tot het volstrekt transparant en beheersbaar te maken object in handen van een almachtig functionaris die daardoor tot despoot is geworden. Een anti-despotische geïntegreerde strafrechtswetenschap vooronderstelt dus in grondslagentheoretisch opzicht eerder een principiële ongelijkheid van sociale wetenschappen en recht, maar dan niet in de betekenis van recht als empirische wetenschap maar in de betekenis van recht als contrafaktische begripsstructuur. Recht als empirische wetenschap staat steeds in een dubbele spanningsverhouding: enerzijds extern tot andere empirische wetenschappen (en dan op basis van gelijkwaardigheid) en anderzijds intern tot de eigen contrafaktische begripsstructuur. Dit betekent dat de contrafakticiteit van het recht zowel in kennistheoretisch als in normatief opzicht de voorrang dient te behouden op de werkelijkheidspretenties en de kritische mogelijkheden van zowel de sociale wetenschappen als het recht. De vraag naar gelijkwaardigheid of ongelijkwaardigheid binnen een geïntegreerde strafrechtswetenschap kan slechts naar haar volle draagwijdte gesteld worden wanneer het recht niet gereduceerd wordt tot een louter empirische wetenschap, maar begrepen wordt vanuit zijn interne spanning tussen de empirische, aan feitelijkheid van werkelijkheidsvoorstellingen gebonden component en het contrafaktische karakter van zijn begrippen.'(IR, p. 280, cursivering van mij, FvD).

Het eerste wat mij opvalt en wat ik wil bekritiseren is de eenzijdige benadering van de begrenzingen van het proces van betekenisverlening. Dit proces wordt in de meest algemene termen omschreven en strekt zich in ieder geval ook uit over ethische en wereldbeschouwelijke componenten. Het wordt zo breed gevat dat ik geneigd ben het in verband te brengen met wat in IR `Vorverständnis’ wordt  genoemd (zie p…  van dit artikel). Wanneer evenwel over het kader gesproken wordt dat het proces van betekenisverlening begrenst, wordt er niet gesproken over de ordeningsschema’s van de `common sense’ (conceptuele begrenzing) of over de feitelijk bestaande maatschappelijk orde (materiële begrenzing) (vgl. schema 1 op p. 6 van dit artikel), maar over het moderne recht, en dan niet in de betekenis van de heersende dogmatiek (`Verständnis’) van de jurist, maar `in de betekenis van contrafaktische begripsstructuur.’ Ik vind dat hier een verkeerde wissel genomen wordt, omdat zonder enig argument in plaats van stil te staan bij de kaderbepalende functie van een maatschappijtheoretisch te formuleren contrafaktische begripsstructuur onmiddellijk verder wordt gegaan op het spoor van juridische begrippelijkheid. Ik noem dit het in elkaar schuiven van een algemene grondslagentheorie en een domeinspecifieke, namelijk de juridische, waardoor zoals uit het vervolg van de tekst blijkt bij voorbaat de verhouding tussen rechtswetenschap en andere sociale wetenschappen uit balans raakt. `Een anti-despotische geïntegreerde strafrechtswetenschap vooronderstelt dus in grondslagentheoretisch opzicht eerder een principiële ongelijkheid van sociale wetenschappen en recht’ (cursivering van mij, FvD). Wanneer er reden is om aan te nemen, zoals ik eerder heb gesteld, dat ook voor de andere sociale wetenschappen het onderscheid van empirische theorie en grondslagentheorie constitutief is, is dit een overhaaste en ongerechtvaardigde conclusie. Er is dan immers een vergelijkende analyse mogelijk zowel van de domeinspecifieke empirieën die in de verschillende maatschappijwetenschappen worden gevormd als van de disciplinespecifieke contrafaktische ordeningsschema’s. Dat voor een systematische vergelijking de bemiddeling nodig is van een algemene, dit is maatschappijtheoretische grondslagentheorie, en dat een dergelijke grondslagentheorie nog slechts in eerste aanzetten bestaat, doet hier niets aan af. In het kader van zo’n vergelijking alleen kan dank zij de bemiddeling van omvattende maatschappijtheoretische grondbegrippen aan het begrip gelijkwaardigheid, in verband met de verhouding van recht en andere sociale wetenschappen, een precieze betekenis worden gegeven. Ik kan me dan ook helemaal niet vinden in de voorstelling van zaken van Foqué en ’t Hart, waarin recht als empirische wetenschap opgevat zich op basis van gelijkwaardigheid verhoudt tot andere empirische (maatschappij-) wetenschappen, terwijl recht opgevat als contrafaktische begripsstructuur ten aanzien van diezelfde wetenschappen in een principiële ongelijkheid verkeert. Natuurlijk is het zo dat de maatschappelijke ordeaspecten die in de juridische grondbegrippen tot uitdrukking worden gebracht ongelijk zijn aan de ordeaspecten die in een economische of politicologische  grondslagentheorie worden gearticuleerd. De auteurs doen het evenwel voorkomen alsof de juridische grondbegrippen `hors catégorie’ zijn omdat ze voor een modern begrip van maatschappelijke orde constitutief zijn. Naar mijn opvatting behoren in dit opzicht de grondbegrippen van economie en politiek evenwel tot dezelfde categorie, en kan er in dit opzicht van principiële ongelijkheid geen sprake zijn, wèl van complementariteit. Zolang niet wordt aangetoond dat de door mij voorgestane begripsstrategie geen begaanbare weg is, ben ik het dan ook hartgrondig oneens met de uitspraak, dat `de contrafakticiteit van het recht zowel in kennistheoretisch als in normatief opzicht de voorrang dient te behouden op de werkelijkheidspretenties en de kritische mogelijkheden van zowel de sociale wetenschappen als het recht’ (cursivering van mij, FvD). Ik ben zelfs van mening dat mijn positie beter past bij de in hoofdstuk 4 van IR uiteengezette grondslagentheoretische uitgangspunten.

Verderop in de tekst (IR, pp. 281-282) wordt tegen de claim van Fijnaut dat in een geïntegreerde strafrechtswetenschap recht en sociale wetenschappen principieel gelijkwaardig zijn, als bezwaar ingebracht dat eerst duidelijk moet zijn waarop dan die gelijkwaardigheid betrekking heeft. In plaats van een grondslagentheoretisch verantwoorde uitwerking van de principiële gelijkwaardigheid (die zoals ik eerder heb geschetst zeer wel denkbaar is), blijkt het genoemde bezwaar voor Foqué en ’t Hart een opstap te zijn om de gelijkwaardigheid zodanig te clausuleren dat het geen zin meer heeft om van principiële gelijkwaardigheid te spreken. Dat kan volgens hen immers niet meer zodra men ernst maakt met het onderscheid van recht als empirische wetenschap en recht als theoretisch kader (bedoeld is weer: recht als contrafaktische begripsstructuur). Ik citeer weer met enige uitvoerigheid.

‘Door te snel te concluderen tot een principiële gelijkwaardigheid van recht en sociale wetenschappen dreigt een geïntegreerde strafrechtswetenschap uiteindelijk toch meer problemen op te roepen dan op te lossen, omdat daarbij niet duidelijk is waarop dan die gelijkwaardigheid betrekking heeft. Dit laatste is inderdaad een probleem wanneer het recht niet zonder meer als empirische wetenschap wordt gezien, maar als een theoretisch kader waarin empirische wetenschap in een contrafaktische begripsstructuur functioneert. Pas in dit laatste perspectief is duidelijk te maken dat er weliswaar van gelijkwaardige en dus elkaar kritiseerbare vormen van empirische wetenschap sprake kan zijn, maar dat daarmee de positie van het recht binnen een geïntegreerde strafrechtswetenschap niet uitputtend aangegeven is. Achter deze empirisch-wetenschappelijke gelijkwaardigheid schuilt een grondslagentheoretische ongelijkwaardigheid die bepaald wordt door het contrafaktische karakter van het recht. Men kan zelfs zeggen dat zonder de contrafakticiteit van het recht geen sprake kan zijn van een werkelijke gelijkwaardigheid van empirische wetenschappen omdat er dan geen gemeenschappelijk kader meer aanwezig zou zijn voor beide partners in de geïntegreerde strafrechtswetenschap. In de plaats van gelijkwaardige samenwerking zou er dan een concurrentieverhouding komen die het monopolie van de werkelijkheidsvoorstelling tot inzet heeft.’ (IR pp. 281-282, cursivering van mij, FvD).

Ik noem deze positie dubbelzinnig, omdat hier enerzijds onmiskenbaar een voorrangspositie wordt toegekend aan het recht als contrafaktische begripsstructuur ten opzichte van elke empirische (maatschappij-)wetenschap, terwijl dit standpunt zich anderzijds naar mijn oordeel niet verdraagt met de kennis- en wetenschapstheoretische uitgangspunten van hoofdstuk 4 noch met de eerder geschetste begrippelijke opbouw van het recht zelf. Er is geen juridische empirie zonder de conceptuele ordeningsschema’s van de rechtsdogmatiek, maar ook niet zonder dat deze schema’s in relatie met een specifieke ervaringswerkelijkheid (hun `Stoffbestimmtheit’) worden geëmpiriseerd. Juridische grondbegrippen zijn daarom uit de aard der zaak ongeschikt om de ervaringswerkelijkheid van het economische of het politieke tot maatschappijwetenschappelijke empirie te maken. Daar zijn economische en politicologische grondbegrippen voor nodig. Strijd om het monopolie van de werkelijkheidsvoorstelling binnen een geïntegreerde strafrechtswetenschap wordt niet voorkomen door de grondbegrippelijke structuur van het recht tot gemeenschappelijk kader te maken. Naar mijn oordeel is dit geen grondslagentheoretische bemiddeling. Die kan alleen plaatsvinden in de context van een omvattend maatschappijtheoretisch denkkader, waarin de constitutieve bijdragen van het juridische, het economische en het politieke aan het tot stand komen van een maatschappelijke orde (in de moderne betekenis van dit woord) naar hun betekenisverscheidenheid én hun onderlinge complementariteit gethematiseerd kunnen worden. Hiertoe is het zorgvuldig onderscheiden van domeinspecifieke grondslagentheorieën en een omvattende (grondslagentheoretisch gearticuleerde) maatschappijtheorie een voorwaarde.

Bij lezing en herlezing van de analyse die de auteurs geven van de positie van Fijnaut en van de aanvullende positie die zij zelf innemen, ontkom ik niet aan de zojuist geformuleerde conclusie. Er zijn in dezelfde context nog meer relevante passages, die ik hier verder niet in detail kan bespreken20. Ik volsta met nog een paar citaten. Dit laat overigens onverlet dat ik het met de kritiek op de positie van een geïntegreerde rechtswetenschap eens ben; ik denk alleen dat in de grondslagentheoretische uitwerking en verantwoording van de kritiek een verkeerde wissel wordt genomen. Voor het door mij gesignaleerde probleem beschouw ik ook de volgende passages als illustratief:

`Enerzijds wordt ook in het recht, met name in de dogmatiek, steeds mede een voorstelling van de werkelijkheid gegeven, hoe problematisch en voorlopig ook, en dient deze steeds verlaten te kunnen worden ten voordele van nieuwe voorstellingen zonder dat het recht als zodanig daarmee vervangen wordt. Anderzijds is eveneens in de sociale wetenschappen steeds een zekere vóórstructurering van de werkelijkheid vanuit juridische categorieën werk-zaam.’ (IR, p. 288, cursivering van mij, FvD)

Blijkens de context heeft deze vóórstructurering betrekking op `het gemeenschappelijke kader dat rechtswetenschap en sociale wetenschappen met elkaar moeten kunnen blijven delen…’ (IR, p. 288).

‘Juridische begrippen hebben immers een dubbele betekenis. Enerzijds drukken zij de steeds voorlopige voorstelling van de werkelijkheid uit waarin het recht te gelden heeft, maar anderzijds zijn dezelfde begrippen dragers van een contrafaktische struktuur waardoor zowel de politieke macht als de eigen werkelijkheidspretenties van het recht gekanaliseerd en beperkt worden. Wanneer vanuit de sociale wetenschappen inzichten tot ontwikkeling worden gebracht die de eigen werkelijkheidspretenties van het recht onder kritiek stellen en zodoende kunnen bijdragen tot de adequaatheid van de rechtsbedeling zal, zeker in een context van crisismanagement, ook deze laatste tussenkomst van de sociale wetenschappen door diezelfde contrafakticiteit van het recht gekanaliseerd en beperkt moeten worden. Wanneer dat niet het geval zou zijn, kan er a priori geen sprake zijn van enige integratie, maar – zoals gezegd – alleen van concurrentie waardoor uiteindelijk het recht en daarmee dus de juridisering van de politiek als voorwaarde voor vrijheid moet verdwijnen. Maar ook de sociale wetenschappen zelf verliezen hierdoor het noodzakelijke kader waarbinnen zij hun kritische functie kunnen vervullen. Wanneer het recht als contrafakticiteit verdwijnt, verdwijnen ook de eigen kritische mogelijkheden van de sociale wetenschappen?‘ (IR, pp. 291-292, cursivering mij, FvD)

En tenslotte:

`De grondstellingen van Montesquieu leren dat een anti-despotisch rechtsbegrip niet beperkt moet worden opgevat als een occasioneel inzetbaar instrument tegen machtsoverschrijding, maar dat het zijn anti-despotische rol slechts kan vervullen wanneer het tegelijkertijd ook de grondstructuur levert voor een andere maatschappelijke werkelijkheid. De actualiteit van een dergelijk rechtsbegrip (…) is dan ons inziens gelegen in de bemiddelende rol die de contrafakticiteit van de juridische categorieën kan spelen in de verhouding tussen twee empirisch-wetenschappelijke discours: dat van het positieve recht en dat van de sociale wetenschappen?’ (IR, p. 292, cursivering van mij, FvD)

 De onmisbaarheid van een maatschappijtheoretisch denkkader

De problematiek van het recht vormt voor Foqué en ’t Hart het vertrekpunt en het domein van een grondslagentheoretische explicitatie van de voor dit domein constitutieve begrippelijkheid. Daarin ligt ook de beperking van een grondslagentheorie van het recht en daarom ook zal zij, binnen het bredere veld van het grondslagenonderzoek van de maatschappijwetenschappen, aangevuld en geconfronteerd kunnen worden met grondslagentheorieën van andere domeinen (IR, p. 33). Naar mijn mening zal deze aanvulling en confrontatie ook moeten gebeuren omdat pas dan de eenzijdigheden, de beperkingen en de eventuele complementariteit van de verschillende maatschappijwetenschappelijke benaderingswijzen van de alledaagse ervaringswerkelijkheid (inclusief de rechtswetenschappelijke) thematiseerbaar worden. Zolang er geen theoretisch kader ontwikkeld is voor de onderlinge vergelijking van de juridische empirie met bijvoorbeeld de empirie van het economische, het sociologische of het psychologische, is het precair, zo niet onmogelijk de consequenties van het rechtsbegrip voor de inhoud van het beleidsbegrip te bepalen. En omdat het positieve recht een domeinspecifieke vormgeving is van grondbegrippen, namelijk van het juridische domein, zijn ook de in deze grondbegrippen impliciet vervatte ethisch-normatieve, maatschapijtheoretische en kennistheoretische componenten domeinspecifiek21. Ik stem graag in met de zienswijze van de auteurs, dat het recht de relationele grondstructuur van maatschappelijkheid tot uitdrukking brengt (evenals de daarmee ten nauwste verbonden intersubjectiviteitsdimensie) (zie IR, p. 129). Ik houd evenwel staande dat ook de economie en de economische wetenschap deze relationele grondstructuur en deze intersubjectiviteitsdimensie tot uitdrukking brengen. Wat ervan evenwel in beide gevallen tot uitdrukking wordt gebracht en hoe, is naar mijn opvatting geenszins hetzelfde. Dezelfde conceptuele betekenisruimte kan tot meerdere van elkaar verschillende empirisch-maatschappelijke ordeningen leiden, bijvoorbeeld die van een rechtsorde en van een economische orde. Beide ordes zijn maatschappelijke ordeningen, maar voor het grondslagentheoretisch bepalen van hun onderlinge relatie hebben we het begrip `maatschappelijke orde’ nodig in een betekenis die niet herleidbaar is tot de betekenis van de begrippen `rechtsorde’ en `economische orde’. Hetzelfde geldt `mutatis mutandis’ voor de grondbegrippen `relationele grondstructuur van maatschappelijkheid’ en `intersubjectiviteit’.

Ik kan de hierboven aangeduide problematiek ook anders verwoorden. Nemen we aan dat er inderdaad meerdere maatschappijwetenschappen zijn met een met de rechtswetenschap overeenkomstige structuur. We krijgen dan te maken met meerdere domeinspecifieke grondslagentheorieën en met een meervoud van begripsstrategieën. Een vergelijkende analyse van de ethisch-normatieve, de maatschappijtheoretische en de kennistheoretische componenten van elk van deze specifieke grondslagentheorieën is enkel mogelijk wanneer een omvattend grondslagentheoretisch kader ontwikkeld kan worden dat toestaat de onderlinge samenhang van de grondbegrippen van ethiek, van kennis- en maatschappijtheorie te articuleren en dat tevens toestaat de onderscheiden specifieke domeinen en de daarmee verbonden disciplinaire activiteiten ten opzichte van elkaar te positioneren binnen een maatschappijmodel22. Het ontwikkelen van maatschappijtheoretische grondbegrippen en van maatschappijmodellen die nodig zijn om `de verhouding tussen empirische feitelijkheid en empirische theorievorming’23 (IR, p. 139) te kunnen verhelderen, heeft zoals de auteurs hebben laten zien, een specifieke politiek-filosofische achtergrond. Verzet tegen despotie is slechts mogelijk `wanneer niet alleen in sociaal-economisch opzicht distantie mogelijk is ten opzichte van de macht doordat de mens voor zijn materieel-biologisch overleven niet louter afhangt van de despoot, maar wanneer deze distantie bovendien `gedacht’ kan worden en vanuit dit denken tot een alternatief maatschappijmodel kan leiden. Deze laatste voorwaarde betekent dat het inzicht in de feitelijke context van het bestaan niet opgesloten blijft in het monopolie van een empirische theorie die deze context alleen maar beschrijft en transparant maakt. Er zal een theoretische positie moeten ontstaan van waaruit die verhouding tussen empirische feitelijkheid en theorie ook normatief kan gewaardeerd worden’ (IR, p. 139) Terecht wordt opgemerkt dat de bijdrage van Montesquieu aan de ontwikkeling van zulk een theoretische positie getuigt van een `audace épistémologique’ (IR, p. 330). Vanaf het moment evenwel dat er meerdere empirische theorieën naast elkaar bestaan (zeg rechtswetenschap, economie en sociologie), of ze nu complementair dan wel concurrerend gedacht worden, is het mijns inziens duidelijk dat de bedoelde (grondslagen-)theoretische positie niet kan samenvallen met de grondslagentheorie van een van de betreffende disciplines. De bedoelde theoretische positie moet als referentiekader kunnen fungeren voor het denken en de praktijken van elke maatschappijwetenschap die er feitelijk bestaat. De grondslagentheorie van het recht is in dit licht geplaatst de articulatie en uitwerking van een specifiek maatschappijmodel, en van de grondbegrippen die het dragen, waarin de ervaringswerkelijkheid wordt geordend overeenkomstig het gezichtspunt van het recht. Ik sluit me in deze aan bij de gangbare opvatting dat rechtswetenschap, economie en sociologie te definiëren zijn als aspectwetenschappen met betrekking tot het geheel van onze alledaagse ervaringswerkelijkheid. Binnen het denkkader van het recht is wèl de verhouding tussen het recht als empirische theorie en de in functie hiervan gethematiseerde ervaringswerkelijkheid bespreekbaar te maken, maar het hierin vervatte `Vorverständnis’, dit is het impliciete standaardverhaal dat een beeld schetst van de maatschappelijke werkelijkheid van alledag waarin het recht te gelden heeft (`bijvoorbeeld het verhaal van de burgerlijk-industriële maatschappij’ (IR, p. 379)) overstijgt naar mijn mening het denkkader van het recht, en kan daarbinnen niet geëxpliciteerd worden. Volgens deze voorstelling van zaken bieden de domein-specifieke grondslagentheorieën inzicht in de samenhang van de onderscheiden empirische theorieën met de ervaringswerkelijkheid van alledag zoals die er in hun respectievelijke aspectbenadering uitziet. Zij differentiëren de ervaringswerkelijkheid van alledag in een veelvoud van tweede-orde-werkelijkheden. En met betrekking tot de tweede-orde-werkelijkheid van het recht geldt wat Foqué en ’t Hart stellen omtrent het maatschappijbeeld van de juridische dogmatiek: `Twee niveaus moeten hier worden onderscheiden: enerzijds dat van het beeld van een omvattende maatschappelijke orde als een feitelijk gegeven en van de specifieke wijze waarop dat ook in de juridische dogmatiek geconceptualiseerd en geïnstitutionaliseerd is in een coherent geheel, en anderzijds dat van afzonderlijke feitelijke gebeurtenissen en situaties en van de specifieke wijze waarop die door juridische institutionalisering tot rechtsvragen en casuïstiek omgevormd worden.’ (IR, p. 378). Deze objectgerichte omschrijving van de twee niveaus correleert met het eerder besproken onderscheid van twee niveaus in het narratieve weten van de jurist: de ordeningsschema’s van het juridisch begrijpen (`Verständnis’), respectievelijk de uiteenzetting van feiten (vergelijk p. 6). Dit in de rechtsdogmatiek vervatte maatschappijbeeld gaat een eigen leven leiden en wordt immuun voor kritiek wanneer de jurist vergeet dat dit maatschappijbeeld een eenzijdig geschematiseerde, altijd voorlopige uitdrukking vormt van het dragende `Vorverständnis’ dat onze maatschappelijke interacties binnen de horizon van de complexe en meerduidige ervaringswerkelijkheid van alledag leidt, en dat bepalend is voor de maatschappelijke betekenis die ten aanzien daarvan aan het recht en de rechtswetenschap toekomt24. Het is dit `Vorverständnis’ dat op enigerlei wijze zelf ook grondslagentheoretisch gerepresenteerd moet worden, omdat alleen met behulp van representatie hiervan de ethisch-normatieve, maatschappijtheoretische en kennistheoretische begrenzingen bepaald kunnen worden van de juridische, economische, sociologische (enz.) omvorming van de alledaagse ervaringswerkelijkheid, terwijl deze representatie tevens het denkkader vormt voor het op elkaar betrekken van de disciplinespecifieke tweede-orde werkelijkheden. Een dergelijke grondslagentheoretische representatie zal daarom om een eigen analysecontext vragen waarin – ook nu weer – twee niveaus te onderscheiden zijn: het niveau van de maatschappijtheoretische grondbegrippen en het niveau van een maatschappijmodel, waarin het verband gearticuleerd wordt van de maatschappelijke dimensies die in de domeinspecificaties van de verschillende maatschappijwetenschappen tot uitdrukking komen en waarin de relaties die de grondbegrippen van deze disciplines ten opzichte van elkaar innemen, nader kunnen worden bepaald.

De hier geschetse gedachtengang kan in aansluiting op schema 1 als volgt schematisch in beeld worden gebracht.

Schema 2: drie handelingscontexten in de maatschappijwetenschappen

handelings-context         handelingscomponenten object(geconstitueerd betekenisdomein)
conceptueel materieel
alledaags ⋅Vorverständnis
⋅common sense
complexe belevingswereld ervaringswerkelijkheid
empirisch wetenschappelijk ⋅Vorverständnis
.domeinspecifieke grondbegrippen
`Stoffbestimmtheit’ van disciplinaire activiteiten binnen feitelijk gegeven maatschappelijk kader wetenschappelijke empirie
theoretisch reconstructief ⋅reconstructie van `Vorverständnis’    in de vorm van  maatschappij-theoretische grondbegrippen en maatschappijmodel (impliciete)disciplinespeci-fieke maatschappij en wetenschapsopvattingen (normatieve)ontwerpen van maatschappelijke en weten-schappelijke samenhang

 

De `audace épistémologique’ van Montesquieu moeten we in onze hedendaagse situatie beantwoorden met stoutmoedigheid in het ontwikkelen van een omvattende, wetenschapstheoretisch – en beleidsrelevante maatschappijtheorie25. Van deze stoutmoedigheid getuigt in ieder geval de studie van Foqué en ’t Hart.

NOTEN

1.   In het vervolg van dit artikel aangeduid met IR, met vermelding van pagina’s.

2.   Dat het verwaarlozen van dit onderscheid tot kennistheoretische en methodologische impasses leidt, komt overeen met het standpunt dat ik elders (Van Doorne, Naar nieuwe grondslagen van sociaalwetenschappelijk onderzoek, 1982 en id., Kritische notities en voorstellen bij Habermas’ grondslagenonderzoek, 1986 met betrekking tot Habermas’ onderzoeksprogramma heb verdedigd.

3.   In de onder 2) genoemde publikaties wordt betoogd dat thematisering altijd omvorming inhoudt.

4.   Ik gebruik de termen `sociaalwetenschappelijke disciplines’, `maatschappijwetenschappen’ en `sociale wetenschappen’ als synoniemen.

5.   Ik prefereer de term schema (of schemata), omdat hij minder sterk het beeld oproept van interne samenhang van de onderdelen ervan dan de term structuur (Vgl. Van Hiele, Structuur, 1981). Zie overigens IR, p. 460 waar de auteurs zelf spreken van schemata. In een vergelijkbare samenhang gebruikt ook Schuyt, Filosofie van de sociale wetenschappen, 1986, p. 42, deze term.

6.   Om mogelijke misverstanden te voorkomen gebruik ik anders dan de auteurs de term empirie uitsluitend voor wetenschappelijk gegenereerde ervaringswerkelijkheid en niet voor de alledaagse ervaringswerkelijkheid.

7.   Foqué en ’t Hart geven een historische reconstructie van de ontwikkeling van het rechtsdenken vanaf de tijd van Montesquieu en Beccaria, en dit wil zeggen vanaf de tijd dat de eerste stappen zijn gezet op de weg naar een rechtsstaat.

8.   Het gaat in de betreffende passage weliswaar primair over de werkelijkheidsvoorstelling van de juridische empirie. Zolang we evenwel niet meer inzicht hebben in de wijze waarop het gethematiseerde `Verständnis’ van de rechtsdogmatiek en het (de juridische competentie overstijgende en omvattende) `Vorverständnis’ elkaar beïnvloeden, meen ik te moeten aannemen dat de gestelde eis vooralsnog het samenstel van de impliciete en expliciete werkelijkheidsvoorstelling van de rechtsdogmatiek betreft.

9.   Wat ik hier zo neutraal mogelijk aanduid met `materieel’ spoort, meen ik, met wat de auteurs de instrumentele kant van het recht noemen.

10.  Het eerder geciteerde boek van Schuyt vormt hierop een gelukkige uitzondering.

11.  Bonsz, W., Die Einübung des Tatsachenblicks, 1982,  heeft zijn boek geschreven in een constructief-kritische reactie op Habermas’ (vroege) positie inzake het statuut van sociaalwetenschappelijk onderzoek (Habermas, Zur Logik der Sozialwissenschaften, 19822 (1967). Eveneens in een kritische discussie met Habermas hebben Vromen en ik een met IR vergelijkbaar standpunt ingenomen inzake (bedrijfs)economie (Van Doorne en Vromen, Maatschappelijke werkelijkheid en economische wetenschap, 1988, met name hoofdstuk I, de paragrafen 1 en 2 en hoofdstuk III, paragraaf 2). Zeer sterk is dezelfde boodschap aanwezig in geschriften betreffende de vernieuwing van de vakdidaktiek van wiskunde en scheikunde, en meer recent ook van bedrijfseconomie, in casu van het vak organisatie. Zie hiervoor Onderwijzen volgens het gespreksmodel, 1980; J. de Miranda (red.), Didaktiek: een gesprekswetenschap, 1985, en W. de Lange, J. de Miranda, Leerplanontwikkeling van het vak organisatie, 1981.

12.  Ik denk dat er aanleiding is de herinrichting van de maatschappij vanaf de 17e eeuw als een meer omvattende ontwikkeling te zien waarin ook andere domeinen, zoals bijvoorbeeld die van de politiek en de economie conceptueel en maatschappelijk worden onderscheiden. Dan is het van belang ook de vraag te stellen naar de relatie van juridische, politieke en economische grondbegrippen en de ordes waarop zij betrekking hebben. Ik kom hier nog op terug.

13.  Een andere omschrijving van het proces dat, afhankelijk van de kijkrichting, door de auteurs zowel juridisering van de ervaringswerkelijkheid wordt genoemd als empirisering van de grondbegrippen van het recht.

14.  Voor bedrijfseconomie hebben Vromen en ik dit aannemelijk gemaakt in het eerder vermelde boek (zie noot 11). Steun voor deze gedachte vinden we in het hier eveneens geciteerde boek van Bonsz, o.a. in diens volgende uitspraak: `Es gibt nicht eine `richtige’ Empirie, sondern verschiedene Empirietypen die nach unterschiedlichen Regeln produziert werden und nicht aufeinander reduziert werden können’ (Bonsz, Die Einübung, 1982, p. 10) Een these die ik met dit artikel naar voren breng zegt dat de maatschappijwetenschappen een met de rechtswetenschap overeenkomstige gedifferentieerde begrippelijke opbouw kennen maar dat de procesregels van de desbetreffende empirisering van alledaagse werkelijkheid domeinspecifiek zijn. Anders gezegd: hun `Stoffbestimmtheit’ is telkens een andere.

15.  Zie opnieuw, wat economie betreft, de in noot 11 vermelde publicatie, in het bijzonder hoofdstuk III, paragraaf 3.

16.  De theoretische reconstructie leidt tot de introductie in IR van een nieuw denkkader dat zich als de `mise en forme’ verhoudt tot de historisch-empirische reconstructie die we als `mise en scène’ ervan moeten beschouwen.

17.  Een positie die vergelijkbaar lijkt te zijn met die van Foqué en ’t Hart wordt door Habermas weergegeven en bekritiseerd in het artikel `Der Philosoph als wahrer Rechtslehrer’ (Habermas 1990, pp. 51-64). Het betreft de positie van R. Wiethölter voor wie volgens Habermas geldt dat `das Recht kein Subsystem neben anderen (ist), sondern ein ausgezeichnetes Medium der gesamtgesellschaftlichen Integration…’ (Habermas 1990, p. 53). Wiethölters positie wordt verder gekarakteriseerd met een citaat dat diens overtuiging weergeeft: `Recht (ist) die entscheidende Struktur der Gesellschaft’ (geciteerd bij Habermas). En interessant genoeg komt in de zienswijze van Wiethölter aan recht ook een dubbele betekenis toe: `Wiethölter scheint mit Savigny von einem Doppelkonzept des Rechts auszugehen, von Recht als einem funktional spezifizierten Teilbereich und von Recht als einem Element, in dem sich das Ganze der Gesellschaft reproduziert’ (Habermas 1990, p. 59). In een andere recent artikel van Habermas, `Soziologie in der Weimarer Republik’ (Habermas 1991, pp. 184-204), wordt een beeld geschetst van sociologie waarin met betrekking tot sociologie een vergelijkbare claim en een overeenkomstige dubbele betekenis terug te vinden is: `Gleichwohl bildet sie das Herzstück der Sozialwissenschaften; denn die Soziologie war immer schon Fach und Superfach, Soziologie und Gesellschaftstheorie in einem’ (Habermas 1991, p. 184) Het is een zienswijze die, zoals het artikel uitvoerig documenteert, nauw verweven is met de ontwikkelingsgeschiedenis van het vak sociologie. `Es gibt gute historische und sachliche Gründe dafür, dasz die gesellschaftstheoretische Aufgaben an der Soziologie hängen geblieben sind; zwingend is diese Kombination nicht’ (Habermas 1991, p. 204). Habermas stelt in deze tekst een andere begripsstrategie voor. Naar ik meen spoort hiermee de door mij in dit artikel ingenomen positie. Ik heb het betreffende artikel van Habermas pas in handen gekregen na afsluiting van de voorliggende bijdrage.

18.  Vergelijk Van Doorne e.a. (red.), Interdisciplinariteit, wetenschap en beleid, 1988.

19.  De term `Alltagstheorien’ wordt als volgt omschreven: `Het betreft hier ongeëxpliciteerde theorieën die gevormd worden door de aanspraken tot veralgemening die besloten liggen in de flarden werkelijkheidsbeeld waarmee de zogenaamde toepassing van juridische leerstukken doorspekt is’ (IR, p. 278

20.  Er zijn ook elders in IR passages te vinden waarin naar ik meen dezelfde dubbelzinnigheid aangewezen kan worden. Ik noem de voornaamste: pp. 121-123, pp. 127-128, pp. 407-409, p. 414, pp. 441-443.

21.  Foqué en ’t Hart benadrukken ook zelf het domeinspecifieke doordat zij ‘de gebondenheid van de rechtsfilosofie aan het positieve recht en zijn dogmatiek’ (IR, p. 35) van het grootste belang achten.

22.  Deze term komt bij de auteurs voor in noot 38 (IR, p. 139).

23.  Zie noot 5 met betrekking tot het dubbele gebruik van de term empirisch.

24. Zie noot 8 over de verhouding van ‘Verständnis ‘ en ‘Vorverständnis’

25.Wat de grondbegrippen betreft die nodig zijn voor een maatschappijtheorie in de bedoelde zin, heb ik veel geleerd van Habermas. Vooral zijn Theorie des kommunikativen Handelns is een rijke vindplaats van aanzetten. In het bijzonder hoofdstuk III uit het eerste deel: `Erste Zwischenbetrachtung: Soziales Handeln, Zwecktätigkeit und Kommunikation’ biedt een handelingstheoretische articulatie  van grondbegrippen die ik onovertroffen vind. Jammer is dat de systeemtheoretische begrippen die Habermas gebruikt, niet op hetzelfde grondslagentheoretische niveau worden ingevoerd; zij hebben in zijn theorie een afgeleide status. Ik denk dat de structuratietheorie van Giddens voor het maatschappijtheoretisch op elkaar betrekken van handelingstheorie en systeemtheorie een beter uitgangspunt vormt (zie: I.J. Cohen, Structuration Theory and Social Praxis, 1987 en Giddens, The Constitution of Society: Outline of a Theory of Structuration, 1984). In de samenwerking van de afgelopen jaren met Pieter Ruys heb ik geleerd, dat wiskundige formalisering een belangrijk medium kan bieden voor het articuleren van de maatschappijtheoretische samenhang van handelings- en systeemtheoretische grondbegrippen. We hebben hieromtrent publicaties in voorbereiding. Tenslotte vermeld ik leerzame gesprekken met Jan van Wezel over deze problematiek en verwijs ik graag naar een tweetal hiervoor relevante geschriften van zijn hand: – J. van Wezel, Interdisciplinair sociaalwetenschappelijk onderzoek: wenselijkheid en mogelijkheid, 1987, en J. van Wezel, Een ruimtetijd referentiekader, 1988.

Bibliografie

Bonsz, W., Die Einübung des Tatsachenblicks. Zur Struktur und Veränderung empirischer Sozialforschung, Suhrkamp Verlag Frankfurt a. M., 1982, 342 p.

Cohen, I.J., `Structuration Theory and Social Praxis,’ in: Giddens, A., Turner, J. (red.), Social Theory Today, 19882 (1987), Polity Press Cambridge, pp. 273-308

Doorne, F. van, – Naar nieuwe grondslagen van sociaal-wetenschappelijk onderzoek. De ontwikkeling van Habermas’ reconstructieve filosofie in de jaren 1960-1980, (proefschrift), Tilburg, 1982, I-IX + 280 p.

Doorne, F. van (Samen met P. Ruys), `Die struktur einer Sprechhandlung in Habermas’ Forschungsprogramm. Formale Analyse mit den Mitteln des tripolaren Modells’, in: W. van Reijen en K.O. Apel (red.), Rationales Handeln und Gesellschaftstheorie, Bochum 1984, pp. 201-218.

Doorne, F. van, `Kritische notities en voorstellen bij Habermas’ grondslagenonderzoek. De dubbelzinnigheid van het begrip `communicatief handelen’,’ in: Frans van Doorne en Michiel Korthals (red.), Filosofie en maatschappijkritiek. In debat met Habermas, Boom Meppel, 1986, pp. 85-101.

Doorne, F. van, `Foundational research as intermediate function between everyday and (socio)scientific action. A research design’, in: W. Leinfeller, F. Wuketis (Hrsg.), Die Aufgaben der Philosophie in der Gegenwart, Akten des X. Internationalen Wittgenstein Symposium 1985, Hölder-Pichler-Tempsky Wien, 1986, pp. 145-147.

Doorne, F. van (Samen met P. Ruys), `Conceptuele voorwaarden voor interdisciplinair sociaal-wetenschappelijk onderzoek,’ in: F. v. Doorne e.a. (red.), Interdisciplinariteit, wetenschap en beleid, Acco Leuven/Amersfoort 1987, pp. 11-26.

Doorne, F. van (Samen met J. Vromen), Maatschappelijke werkelijkheid en economische wetenschap. Filosofische analyses van een verstoorde relatie, Acco-Amersfoort/Leuven, 1989, 168 p.

Habermas, J., Zur Logik der Sozialwissenschaften, Suhrkamp Verlag Frankfurt a.M., 19822 (1967), 607 p.

Habermas, J., Theorie des kommunikativen Handelns, 2 delen, Suhrkamp Verlag Frankfurt a.M., 1981, 534 en 633 p.

Habermas, J., `Der Philosoph als wahrer Rechtslehrer’, in: J. Habermas, Die nachholende Revolution, (Edition Suhrkamp 1633) Suhrkamp Verlag Frankfurt a. M., 1990, pp. 51-64.

Habermas, J., `Soziologie in der Weimarer Republik’, in: J. Habermas, Texte und Kontexte, (Suhrkamp Taschenbuch Wissenschaft 944) Suhrkamp Verlag Frankfurt a.M., 1991, pp. 184-204.

Hiele, (P. van, Struktuur, Muusses Purmerend, 1981, 152 p.

Lange, W. de, Miranda J. de, Leerplanontwikkeling van het vak organisatie. Rapport 3, Verslag over het jaar 1978-1979 van een poging tot empirische leerplanontwikkeling aan de Ekonomische Fakulteit van de Katholieke Hogeschool Tilburg, interne publicatie Tilburg, 1981, 50 p. met bijlagen (70 p.).

Miranda, J. de (red.), Didaktiek: een gesprekswetenschap, Disco-reeks no. 7 Universiteit van Amsterdam, 1985, 179 p.

Schuyt, C., Filosofie van de sociale wetenschappen, serie Wetenschapsfilosofie, M. Nijhoff Leiden, 1986, 133 p.

Wezel, J. van, `Interdisciplinair sociaal-wetenschappelijk onderzoek: wenselijkheid en mogelijkheid’, in: F. van Doorne e.a. (red.), Interdisciplinariteit, wetenschap en beleid. Acco Leuven/Amersfoort, 1987, pp. 81-96.

Wezel, J. van, `Een ruimte-tijd referentiekader. Een benaderingg om transacties te analyseren’, in: J. v. Dijck, J. v. Wezel (red.), Beweging en blokkering in het sociaal en economisch beleid, 1988, Kluwer Deventer, pp. 11-35.

Onderwijzen volgens het gespreksmodel. Workshop gehouden op 31 oktober 1979 ter gelegenheid van het afscheid van de KHT van Dr J. de Miranda, interne publicatie Tilburg, 1980, 90 p.