I.2 Kritische notities en voorstellen bij Habermas’grondslagenonderzoek. De dubbelzinnigheid van het begrip ‘communicatief handelen’ [1986]

Noot vooraf  [2015]

In Tomasello’s boek: Origins of human communication (zie de noot vooraf bij rubriek I Reconstructie) is het begrip  ‘ human communication’  van de titel betekenisgelijk aan  ‘specifiek menselijke sociale interactie’.  Dat is m.i. ook de eigenlijke betekenis van het begrip ‘communicatie’ in de grondslagentheorie van Habermas. Omdat de term communicatie in wetenschappelijk taalgebruik en in de omgangstaal in een veel minder stringente betekenis wordt gebruikt ( bv. ook voor met name hogere dieren en zelfs voor apparaten), lijkt het me nuttig aan te geven welke componenten door Tomasello onderscheiden worden in het betekenisveld human communication’.  Componenten die z.i. constitutief  zijn voor sociale interactie van (volwassen) mensen. Het specifiek menselijke hiervan ontstaat en bestaat volgens hem dank zij de integratie van (evolutionair gesproken hieraan voorafgaande) interactiecomponenten: coöperatie, coördinatie en communicatie . De termen waarmee hij deze nog-niet-geïntegreerde componenten omschrijft, hebben natuurlijk ook nog niet dezelfde rijke betekenis die ze krijgen in het gebruik ervan voor sociale interactie tussen mensen.  Naar mijn mening zijn het ook constitutieve componenten van Habermas’ concept van communicatie, die tot integratie komen dank zij de constitutieve component van talige articulatie, zoals ik heb beargumenteerd  in The Categorical Framework of Habermas’s Theory of Society and the Key Role attributed to Language (hier te vinden in Part I Reconstruction, tekst nummer 6. Zie ook de Introductory Comments van Part I).

1. Inleiding

Dit hoofdstuk handelt over een probleem van Habermas’ onderzoeksprogramma. In dit programma probeert Habermas onder andere de grondslagen te reconstrueren van de samenhang tussen maatschappelijk handelen in zijn alledaagse gestalten enerzijds en  filosofie en empirische wetenschap anderzijds. De grote lijnen van dit onderzoeksprogramma zijn onlangs op heldere en beknopte wijze geschetst door Harry Kunneman (1984). Grondslagenonderzoek heeft bij Habermas, zoals Kunneman terecht stelt, een onvervangbare functie met betrekking tot een kritische maatschappijtheorie[1]. De intenties van Habermas en de inzet van diens grondslagenonderzoek vormen een serieuze uitdaging. Het probleem dat in het volgende aan de orde wordt gesteld betreft de mijns inziens onbevredigende wijze waarop Habermas zijn grondbegrippen invoert en gebruikt. Binnen het bestek van dit hoofdstuk is het niet mogelijk op alle grondbegrippen in te gaan. Ik beperk mij tot een nadere analyse van het begrip ‘communicatief handelen’ . De bedoeling ervan is aannemelijk te maken dat Habermas onvoldoende nauwkeurig twee contexten van analyse uiteenhoudt: namelijk de context van een formele, universeel-pragmatische analyse, en de context van empirisch onderzoek[2].  Als gevolg hiervan krijgt het begrip ‘communicatief handelen’ in plaats van twee verschillende, duidelijk te onderscheiden betekenissen een dubbelzinnige betekenisinhoud. De betekenis van het begrip ‘communicatief handelen’ betreft mijns inziens in de context van grondslagenonderzoek alle vormen van sociaal handelen, ook strategisch handelen. In de context van empirisch-wetenschappelijke theorievorming heeft het begrip betrekking op een specifieke klasse of type van maatschappelijk handelen, onderscheiden van bijvoorbeeld strategisch handelen. Volgens mijn interpretatie vervalt hiermee de mogelijkheid ‘strategisch handelen’ in de context van grondslagenonderzoek als een gelijkwaardig maatschappijtheoretisch grondbegrip te behandelen naast en tegenover het begrip ‘communicatief handelen’.

Voor een goed begrip van Habermas’ onderzoeksprogramma moeten we aan het onderscheid van contexten veel meer gewicht toekennen dan gewoonlijk gebeurt. Wie zoals hij goede gronden meent te hebben voor het maken van een tweedeling van theorie-contexten, kan niet langer aan dezelfde term in de beide contexten een en dezelfde betekenis toekennen[3]. En het lijkt me daarom beter in de context van grondslagenonderzoek te spreken van gecoördineerd handelen.

De opbouw van het betoog ziet er als volgt uit. Begonnen wordt met een korte bespreking van het onmisbare onderscheid van theoriecontexten (2). Deze bespreking vormt de rechtvaardiging van de universeel-pragmatische introductie van de kenmerkende structuur van een maatschappelijke handelingssituatie (3). Vervolgens wordt gesproken over de manier waarop de overgang gemaakt kan worden van een universeel-pragmatische analyse naar empirische interpretaties (4). Bij wijze van besluit worden een paar voorstellen voor een maatschappijtheoretische begripsstrategie besproken (5).

 2. Onderscheid van theoriecontexten

Het denken van Habermas neemt in het begin van de jaren zeventig een beslissende keer: van latent bewustzijnsfilosofisch wordt het reconstructief.  In verband met deze wending ziet hij zich genoodzaakt het traditionele filosofische begrip reflectie naar twee van elkaar te onderscheiden denkbewegingen te differentiëren. Zij dienen alle twee gesitueerd te worden binnen een eigen context van theorievorming, en binnen die beide contexten moet theorievorming aan specifieke eisen voldoen. Het zijn[4]:

– de context van rationele reconstructie, waarin universeel-pragmatisch onderzoek thuishoort betreffende die structuren van spreken en handelen waarvan kan worden aangenomen dat ze ongeacht de aard van een samenleving steeds aanwezig zijn; met andere woorden: van structuren die constitutief zijn
voor maatschappelijke orde;

– de context van zelfreflectie, waarin empirisch en filosofisch onderzoek thuishoort dat betrekking heeft op historisch-contingente, aan specitieke maatschappijformaties gebonden kenmerken van spreken en handelen.

Dit onderscheid voert Habermas in, omdat hij tot het inzicht is gekomen dat aan de twee eisen die zijns inziens aan een kritische maatschappijtheorie gesteld moeten worden niet in een en dezelfde context, te weten die van zeIfreflectie, voldaan kan worden. De eerste is, dat ze houvast en oriëntatie moet kunnen bieden aan het sociaal-politiek handelen, de tweede dat de (normatieve) uitgangspunten ervan argumentatief fundeerbaar moeten zijn (Van Doorne, 1982, p.120-121).
Met het onderscheiden van twee contexten van theorievorming ontwikkelt Habermas een verdere differentiatie ten aanzien van een reeds lang in de westerse traditie aanvaard onderscheid: dat tussen de context van het alledaags spreken en handelen en de context van theorievorming.

In zijn Nawoord hij de heruitgave van Erkenntnis und Interesse (EI, 2e uitgave,1973) heeft Habermas de nieuwe differentiatie van theorie-contexten voor het eerst met enige uitvoerigheid aan de orde gesteld. Onlangs is er een tekst van hem gepubliceerd waarin deze belangrijke koerswijziging in zijn opvatting over de relatie van theorie en praxis nog eens wordt hernomen en gepreciseerd[5]. Deze koerswijziging houdt, kort gesteld, in dat een kritische maatschappijtheorie alleen aan de tweede bovengenoemde eis kan voldoen, wanneer de bemiddeling van de context van zelfreflectie en de praxiscontext gedacht kan worden. In de denkbeweging  van rationele reconstructie, die zoals gezegd om een eigen context vraagt,  kan deze bemiddeling conceptueel worden voltrokken.
Wat Habermas onder rationele reconstructie verstaat en wat hij ermee wil heeft tot nu toe voornamelijk een uitwerking gekregen in zijn universele pragmatiek die het grondslagentheoretisch onderdeel vormt van zijn theorie van het communicatief handelen. In alle teksten over dit onderwerp[6] valt op dat Habermas hij herhaling spreekt over de noodzaak de uitgangspunten van deze theorie universeel-pragmatisch te articuleren en te verantwoorden, maar steeds ook wekt hij de indruk dat het eigenlijke werk op dit punt nog moet gebeuren. Om me tot VE (de meest recente uitvoerige tekst) te beperken kan ik wijzen op de volgende uitspraken: ‘Diese intuitiven Überlegungen bedürfen einer Explikation, die ich an Ort und SteIle nicht vornehmen kann. lch möchte aber die erforderlichen Explikationsschritte, die in der Theorie des kommunikativen Handelns ausgeführt werden, wenigstens  aufzählen und programmatisch erläutern’ (p. 572—573). En op p. 595 ‘Ich habe die Begriffe des kommunikativen Handelns und der Lebenswelt intuitiv aus Zusammenhängen der soziologischen Diskussion entwickelt. Die Plausibilisierung eines gewissen Vorverständnisses kann die formalpragmatische Begriffsanalyse, die ich hier nicht durchführen kann, allenfalls vorbereiten.’ Gegeven deze uitspraken hoeft het niet te verbazen dat de teksten waarin Habermas aan zijn nieuwe handelingstheorie werkt niet bepaald uitmunten door een helder analytisch uit elkaar houden van theoriecontexten. Zoals ik verderop zal aangeven vertoont zijn onderzoeksprogramma hierdoor een aantal dubbelzinnigheden, die vermeden kunnen worden wanneer dit onderscheid stringenter wordt gehanteerd.
Precies op dit punt is het ook dat ik wil bijdragen aan Habermas’ programma door zijn intuïtief ontwikkelde uitgangspunten en hypothesen uit te werken in een formeel- of universeel-pragmatisch model. Daartoe zal ik in de volgende paragraaf de formele elementen en relaties reconstrueren die toestaan zijn intuïties op het niveau van grondslagenonderzoek te articuleren en toetsbaar te maken. Het model dat ik construeer is naar mijn mening geschikt om de hoofdlijnen van Habermas’ onderzoeksprogramma niet alleen te behouden, maar ook te versterken. Op vele ondergeschikte punten evenwel zijn hierin, zeker betreffende de door hem gevolgde begripsstrategie, correcties nodig.

3 . De universele kenmerken van een maatschappelijke handelingssituatie

Her algemeen probleem waarop een adequate handelingstheorie antwoord moet kunnen geven, luidt volgens Habermas: hoe is maatschappelijk handelen mogelijk? Omdat naar zijn opvatting een handelingstheorie systematisch samenhangt met een maatschappijtheorie, is de keerzijde van deze vraag: hoe is maatschappelijke orde mogelijk? (VE, p. 571)[7].  Hij zoekt op deze dubbele vraag een antwoord dat de eenzijdigheden vermijdt zowel van filosofische handelingstheorieën waarin actoren, hun intenties en de gevolgen van hun handelingen centraal staan, als van sociologische handelingstheorieën, waarin volgens hem het ontstaan en voortbestaan van regelmatige en stabiele netwerken van interacties voorwerp van onderzoek zijn. Habermas acht het mogelijk de gezochte adequate handelingstheorie te ontwikkelen vanuit een analyse van intersubjectiviteit. Hij vooronderstelt namelijk dat maatschappelijk handelen en maatschappelijke orde alleen dan te verklaren zijn, wanneer  expliciet gethematiseerd wordt wat subjecten met elkaar verbindt, zowel vanuit deelnemer- als vanuit waarnemerperspectief (VE, p. 571—572).

Om de betekenis van het begrip intersubjectiviteit in Habermas’ onderzoeksprogramma te kunnen achterhalen, is het noodzakelijk eerst alle elementen en relaties bijeen te zetten waaruit Habermas’ grondbegrippen zijn opgebouwd. Als zodanig zijn ze onmisbaar voor een universeel-pragmatische analyse van maatschappelijke handelingssituaties[8].  Dit gebeurt zo beknopt mogelijk in drie punten.
De grondbegrippen van Habermas zijn omstreden. Dit brengt mee dat ze tot zeer uiteenlopende interpretaties aanleiding geven. In mijn interpretatie staat de vraag naar een consistente samenhang ervan voorop. Mijn zienswijze op dit punt is voornamelijk gebaseerd op eigen onderzoek[9]. Wat in deze paragraaf wordt samengebracht vormt naar mijn stellige overtuiging het grondslagentheoretisch deel  van Habermas’ theorie van communicatief handelen. Het is de expliciete theoretische omschrijving van de grondbegrippen die ‘het intuïtief weten’ kunnen verklaren waardoor wij ons als competente sprekers en actoren laten leiden. Te samen met de bepaling van hun structurele samenhang  vormen zij een universeel-pragmatisch verklaringsmodel. Het is geschikt om het door Habermas’ geschetste antwoord op het grondprobleem van de sociologie uit te werken en toetsbaar te maken. Deze these kan natuurlijk niet in het bestek van dit hoofdstuk worden waargemaakt. Ik hoop in ieder geval te kunnen laten zien dat de hier voorgestelde begripsstrategie productief is voor het ophelderen van de dubbelzinnigheid van het begrip ‘communicatief handelen’.

Een handelingssituatie wordt  maatschappelijk genoemd wanneer de interacties die daarbinnen (kunnen) plaatsvinden op geïntegreerde wijze de kenmerken van subjectiviteit, objectiviteit en normativiteit vertonen. Dit klinkt veel abstracter dan wanneer men zegt dat voor maatschappelijke interactie minimaal twee subjecten nodig zijn waarvan de handelingen gecoördineerd worden door taal of door een leefwereld. (Beide termen zijn bij Habermas te vinden voor de instantie die tussen twee actoren bemiddelt.) Voor een adequate theoretische analyse is het echter nodig alle elementen en relaties te onderscheiden  die, structureel gesproken, een bijdrage leveren aan de totstandkoming van bedoelde interactie. Ze worden hieronder geïnventariseerd.

I. Elementen—Wat de handelingssubjecten en hun leefwereld betreft  wordt afgezien van elke concrete maatschappelijke invul­ling van hun interactie. Deze wordt geacht zich te voltrekken op basis van de bekwaamheid van minimaal twee individueIe of collectievc actoren en van de  beschikbaarheid voor beiden van geschikte materiële bronnen. Nog algemener geformuleerd be­treft het hier een aanleg tot handelen in drievoud.

Uit de opvatting die Habermas heeft over maatschappelijk handelen valt af te leiden dat de aanleg tot handelen analytisch door twee afzonderlijke elementen moet  worden weergegeven: een element dat de in de aanleg vervatte handelingsgerichtheid representeert, en een element  dat de materiële vormgeving ervan  voorstelt. In het geval van de tweevoudige handelingsbekwaam­heid van actoren gaat het om een ontwerpende handelingsge­richtheid. Het spreekt voor zich dat met betrekking tot de be­schikbare materiële hulpbronnen niet in dezelfde zin van handelingsgerichtheid kan worden gesproken, maar wel op een zinvolle manier. In dit geval representeert dit element de altijd al in  materiële middelen ‘ingeschreven’, ‘geprecodeerde’ handelingsontwerpen die ze voor bepaald gebruik meer of minder  geschikt maken. Wanneer de aanleg tot handelen in drievoud op de aangegeven wijze telkens tot dubbele representatie leidt, moeten al zes elementen in de analyse van maatschapppelijk hande­len worden betrokken. De complexe eenheid van het maatschap­pelijk handelen zelf wordt ten slotte eveneens door een structuurelement vertegenwoordigd. In totaal zijn er voor de analyse derhalve zeven elementen nodig.

II. Relaties – Betreffende de relaties welke constitutief zijn voor maatschappelijk handelen maakt Habermas eveneens een aantal onderscheiden.

1.  We bespreken eerst de relaties waarin de bekwaamheid van beide actoren tot uitdrukking komt. Elk van beide actoren brengt in concrete interacties de omgang met  zichzelf in, dit is: de materiële vormgeving van een zelfontwerp dank zij het benutten van hiertoe beschikbare en geschikte materiële hulpbronnen. Dit levert twee relaties van subjectiviteit op. De omgang met de ander is evenwel alleen productief voor de totstandkoming van maatschappelijk handelen wanneer de omgang met de eigen subjectiviteit van de ene actor zowel intentioneel als materiëel gecoördineerd wordt met die van de ander. Dit levert twee relaties van objectiviteit op. De intentionele coördinatie levert, analytisch gesproken, de relatie op van intersubjectiviteit, terwijl de materiële coördinatie een zodanig gebruik van beschik­bare middelen betreft dat de beide actoren hun intentionele oriën­tatie op coördinatie ook efficiënt waarneembaar en begrijpelijk maken. Hier is sprake van een relatie van normativiteit.  Dit netwerk van relaties tussen beide actoren, bestaande uit zeven relaties, is constitutief voor wat Habermas ‘communicatief handelen’ noemt.

2. Op een indirecte manier is bij de karakterisering van communicatief handelen al verwezen naar de derde aanleg, het potentiëel aan materiële hulpbronnen, zowel bij de omgang met de eigen subjectiviteit als bij de realisatie van intentionele intersubjectiviteit en van de normativiteit van materiële coördinatie. Bekijken we nu rechtstreeks de inbreng die dit potentieel heeft voor de totstandkoming van maatschappelijk handelen. In het kader van deze analyse houdt dit in dat we nu bespreken wat Habermas met het grondbegrip ‘leefwereld’[10] aanduidt en de verhouding ervan tot ‘communicatief handelen’. Ook in het geval van deze aanleg tot handelen hebben we twee zaken te onderscheiden: de beschikbaarheid van materiële ressourcen en de geschiktheid ervan om  als constitutief element in concrete vormgevingen te functioneren. Typerend voor deze aanleg is nu dat zij op drieërlei wijze als bemiddelingsinstantie fungeert met betrekking tot de communicatieve interactie van beide actoren.  Anders gezegd: het communicatief handelen van actoren wordt als maatschappelijk gekwalificeerd  wanneer aan drieërlei voorwaarden is voldaan. Ten eerste moeten in de beschikbare hulpbronnen die door beide actoren worden gebruikt zodanige handelingsontwerpen liggen voorgetekend, dat een actor die dienovereenkomstig de omgang met de eigen subjectiviteit realiseert, dit doet op een wijze die (in principe) leidt tot materiële herkenbaarheid en begrijpelijkheid voor de ander. Dit levert de relatie van intentionele intersubjectiviteit op. Ten tweede moeten de beschikbare materiële resourcen geschikt zijn om de facto te bereiken dat de intentionele gerichtheid van de beide actoren met elkaar gecoördineerd verloopt. En ten derde moeten ze bovendien geschikt zijn om de materiële vormgeving van de intentionele intersubjectiviteit  te normeren. De hierdoor bewerkte relatie noem ik de relatie van normativiteit. De aldus constitutief verzekerde samenhang van alle andere relaties moet ik tenslotte invoeren als relatie van maatschappelijkheid. Hiermee zijn alle relaties geïnventariseerd die vereist zijn door de uitgangspunten die Habermas heeft gekozen voor zijn universele pragmatiek. Het zijn er zeven.

III. Structuurbepaling- Het is niet toevallig dat er evenveel elemen­ten en relaties onderscheiden moeten worden, namelijk zeven. Op impliciete wijze zijn in het voorafgaande de elementen en de relaties zo ingevoerd, dat er een zeer strikt , systematisch verband bestaat tussen de elementen en de relaties, en tussen de relaties onderling. En het is mogelijk dit verband ook expliciet te maken. Elders heb ik uitgewerkt hoe de structuur van dit verband, dat een theoreti­sche representatie vormt van de structuur van een maatschappe­lijke handelingssituatie, kan worden geanalyseerd en geformali­seerd[11]. Ik noem het daar een universeel-pragmatisch verklaringsmodel. Het zou te ver voeren er hier verder op in te gaan, al is het belang ervan evident. Op het voor theorievorming cruciale punt van de nauwkeurige samenhang tussen alle elementen en relaties ontbreekt het in Habermas’ geschriften immers vaak aan een heldere en eenduidige articulatie van zijn intuïties.

Keren we tot slot van deze paragraaf terug naar het  beginpunt ervan. Habermas wil een handelingstheorie  ontwikkelen die in staat is de totstandkoming van een intersubjectief gedeelde sociale orde te verklaren. Het universeel-pragmatisch verklaringsmodel waarop bovenstaande analyse preludeert vormt hiertoe een geschikt theoretisch uit­gangspunt. De relatie van intersubjectiviteit die tot dit model behoort bemiddelt via het beschikbare potentieel aan materiële hulpbronnen waarvan beide actoren in de omgang met de eigen subjectiviteit gebruik maken, tussen de beide relaties van subjectiviteit. En dezelfde relatie verschaft dank zij dit beschikbare potentiëel aan materiële hulpbronnen de middelen om de integratie van de tweevoudige relatie van objectiviteit mogelijk te maken[12].

4. De universeel-pragmatische analyse als referentiekader van sociaal-wetenschappelijk onderzoek.

In de universele pragmatiek zoals Habermas die nastreeft, ligt de claim vervat dat er een niet-willekeurig verband bestaat tussen de theoretische structuur die de reconstructie oplevert en de onderliggende structuur van concrete maatschappelijke handelingen, processen en constellaties[13]. Deze claim moet natuurlijk met goede redenen aannemelijk gemaakt kunnen worden. Lukt dit, dan is in principe een theoretisch verdedigbare grondslag gevonden die het maatschappelijk karakter van menselijke interactie­processen en -patronen kan verklaren, en die tevens houvast en oriëntatie kan bieden aan het wetenschappelijk handelen. Ik zeg ‘in principe’, omdat er nog heel wat moet gebeuren vooraleer de beide contexten van  theorievorming stelselmatig en op metho­dologisch verantwoorde wijze met elkaar in verband kunnen worden gebracht.

Zo houdt de noodzaak de gereconstrueerde grondstructuur bruikbaar te maken voor een sociaalwetenschappelijke analyse van concrete maatschappelijke verschijnselen onder andere in, dat empirische condities gespecificeerd moeten worden in de vorm van empirisch controleerbare’ maatschappijmodellen die, in termen van Habermas’ onderzoeksprogramma, tevens model­len zijn van maatschappelijke handelingsgssituaties. Vandaag de dag is het ook vanzelfsprekend ervoor te zorgen dat deze model­len niet statisch van structuur zijn maar dynamisch. Dit houdt in dat elk maatschappij- c.q. handelingsmodel een zodanige concre­tisering vormt van de grondstructuur dat de elementen en relaties hiervan in hun onderlinge verband behouden blijven, terwijl het netwerk dat zij vormen toch een veelheid en verscheidenheid van maatschappijformaties/handelingssituaties moet kunnen repre­senteren. De veranderlijke functie die elementen en relaties van het model hierdoor ten opzichte van elkaar krijgen, maakt veran­dering endogeen begrijpelijk. Dit betekent dat de voorwaarden aanwezig zijn waaronder bij de empirische interpretatie van zulke modellen alle stuctuurcomponenten een verschillend gewicht kunnen krijgen in de analyse van feitelijke handelingen en situa­ties. De algemene vooronderstellingen maken aldus de vergelij­king mogelijk van uiteenlopende handelingssituaties en hande­lingspatronen[14].

Zolang de zojuist besproken vooronderstellingen, die gericht zijn op het empirisch interrpreteerbaar en controleerbaar maken van het verklaringsmodel, in algemene zin worden geformuleerd en ze nog alle mogelijke empirische waarden kunnen krijgen, heb ik er niets op tegen ze formeel-pragmatisch te noemen. Vanaf het moment evenwel dat aan deze  vooronderstellingen concrete verschijnselen worden gekoppeld, bij voorbeeld de feitelijke differentiaties van  handelingstypen, taalgebruik, instituties en subsystemen in onze westerse samenleving , verplaatsen we ons naar een andere context, die van zelfreflectie in de eerder aangegeven betekenis. De genoemde vooronderstellingen en hun uitwerking beschouw ik als een methodologische overgang tussen de beide con­texten van theorievorming.

Wanneer de aan deze overgang verbonden problemen overwonnen worden, beschikken we over een referentiekader voor de beschrijving en analyse van bestaande maatschappelijke realiteiten evenals voor beleidsgerichte theorievorming (al dan niet met het oog op verandering)[15].  Wanneer een dergelijk verklaringsmodel aannemelijk  is gemaakt lijkt het mij mogelijk hieraan ook houvast en oriëntatie te ontlenen voor sociaal-politiek handelen. In dit betoog ga ik op dit laatste niet verder in.

Men zou kunnen denken dat aldus gepleit wordt voor een louter deductieve afleiding van uitgangspunten voor weten­schapsbeoefening en voor de sociaal-politieke praktijk uit de gereconstrueerde handelingsstructuur. Naar mijn interpretatie van Habermas is dit geenszins het geval. Om te beginnen is de operationalisering van de gereconstrueerde grondstructuur een proces waarin de universele elementen en relaties van een maatschappelijke handelingssituatie aan de hand van een aantaI empirische assumpties gespecificeerd moeten worden, wil het referentiekader überhaupt aanknopingspunten bieden voor het kiezen van sociaal-wetenschappelijke uitgangspunten. Dit heeft niets te maken met logische deductie, en alles met interpretatiekunst en methodologische bekwaamheid. En verder zal argumenteren ten gunste van de aannemelijkheid van een rationale reconstructie vooral moeten bestaan in het voortdurend controleren van de vruchtbaarheid ervan bij het verdiepen, verbeteren en vernieu­wen van zowel het sociaal-wetenschappelijke als het sociaal-­politieke discours en – niet in de laatste plaats – bij het articuleren van de samenhangen binnen de  afzonderlijke contexten van dis­cours en tussen de contexten onderling. Gegeven deze complexe procesgang is ook de term inductie in zijn gangbare betekenis hier niet op zijn plaats.

Het beschreven proces beschouw ik als een weergave van Habermas’ intenties, en ik ben van mening dat zijn werkwijze er op hoofdpunten ook mee overeenkomt. Hinderlijk vind ik evenwel dat Habermas de term formeel- of universeel-pragmatisch gebruikt zowel voor analyses in de context van grondslagenonderzoek , die weliswaar formeel zijn maar niet inhoudelijk leeg omdat ze universele kernmomenten van een handelingssituatie betreffen (DM, p. 367), als voor analyses waarin onder empirisch gespecificeerde condities gebruik wordt gemaakt[16]van de eerstgenoemde soort van analyses[17]. Daarmee verschaf je jezelf natuurlijk de mogelijkheid heel gemakkelijk van formeel-theore­tische naar theoretisch-empirische begripsvorming over te scha­kelen, maar dat kan Habermas’ bedoeling niet zijn. Wanneer hem echter door Berger en Giddens[18] verwisseling van analytische handelingsaspecten met handelingstypen wordt verweten, is de kritiek in een aantal gevallen terecht. Dat dit zo is valt mijns inziens terug te voeren op Habermas’ onzorgvuldige omgang met het onderscheid tussen de twee eerder genoemde contexten van theorievorming. Zijn verweer tegen Giddens met een beroep op ‘ideaaltypen’[19] is een terugval op de positie van ongedifferentiëerde ‘Selbstreflection’ waar hij ongetwijfeld van af wil. De kritiek betreft dus niet, zoals Habermas gezien zijn reactie lijkt te denken, een verwisseling van analytische en empirische zaken binnen de context van zelfreflectie, maar het gaat om de verwisse­ling van formele begripsvorming in de context van rationele reconstructie met sociaal-filosofische en sociaal-wetenschappelijke begripsvorming in de context van zelfreflectie. Vanuit het standpunt van waaruit ik mijn kritische notities bij Habermas maak, zou men ook kunnen zeggen dat Habermas zijn  begrippen meer dan eens voortijdig of overhaast ‘empiriseert’[20] Ik denk dat dit in sterke mate het geval is met het begrip ‘communicatief handelen’.

5. Voorstellen voor een maatschappij-theoretische begripsstrategie

Het begrip ‘communicatief handelen’ dat ik in paragraaf 3 heb gebruikt in verband met het universeel-pragmatisch verklarings­model, heeft dezelfde betekenis als het begrip ‘maatschappelijk handelen’. Het verklaringsmodel is immers geconstrueerd als antwoord op de tweevoudige vraag hoe maatschappelijk hande­len en hoe maatschappeliike orde mogelijk zijn. Hierdoor vervalt de mogelijkheid ‘strategisch handelen’ als een gelijkwaardig maatschappij-theoretisch grondbegrip te beschouwen. Over de gevolgen hiervan zo dadelijk meer.
Ik zou eerst nog een stap verder willen gaan door te stellen dat de begrippen ‘communicatief’ en ‘maatschappelijk handelen’ eveneens betekenisgelijk zijn aan het begrip ‘verständigunsorientiertes Handeln’ wanneer dit begrip grondslagentheoretisch wordt gebruikt, en aan het begrip ‘spreekdaad’ zoals Habermas dit invoert in het kader van zijn analyses betreffende de geldingsbasis van het spreken[21]. Om deze slotparagraaf niet te overladen, laat ik de laatste gelijkstelling verder buiten bespreking, terwijl ik voor de bedoelde gelijkstelling van het begrip ‘communicatief handelen’ met de betekenis van ‘verständigungsorientiertes Handeln’ moet volstaan met het noemen van een aantal vindplaatsen, die mijns inziens geen andere interpretatie verdragen. Ik concentreer hierbij de aandacht op Habermas ‘Erläuterungen zum Begriff des kommunikativen Handelns’ uit 1982, en wijs op enkele parallelplaatsen in Critical Debates[22] en in zijn meest recente boek (DM).
Nemen we de karakterisering die Habermas van het model van het ‘verständigungsorientiertes Handeln’ geeft (VE, p. 587—588), dan zien we dat hier vooralsnog van maatschappelijk handelen in het algemeen sprake lijkt te zijn. Een niet onbelangrijk kenmerk ervan wordt expliciet gemaakt, namelijk dat maatschappelijk handelen reflexief van aard is.  Dit betekent volgens hem dat we moeten vooronderstellen dat ‘sich die Aktoren die Weltbezüge, die sie aufnehmen, zugleich sprachlich bemächtigen and für das kooperativ verfolgte Ziel der Verständigung mobilisieren’ (ibid. p. 578). Maatschappelijk handelen zo opvatten betekent overschakelen naar een ‘Verständigungsparadigma’ (DM, p. 346—349). Hierbij sluiten zo te zien naadloos enkele evolutietheoretische opmerkingen van Habermas  aan (VE, p. 6oo-601) over de verandering die gedrag ondergaat wanneer het ‘op talig niveau’ tot maatschappelijk handelen wordt getransformeerd[23].  Dezelfde zienswijze is ook in zijn laatste boek terug te vinden, waar hij stelt dat communicatief gebruik van een gestructureerde taal kenmerkend is voor de sociaal-culturele leefvorm en dat het  constitutief is voor het bereiken van het niveau van maatschappeliike reproduktie van het leven (DM, p. 363).
Met betrekking tot de hier genoemde vindplaatsen (en er zijn nog vele andere) zou ik de stelling willen verdedigen dat in de context van grondslagenonderzoek de begrippen ‘communicatief handelen’, ‘maatschappelijk handelen’ en ‘verständigungsorientiertes Handeln’ dezelfde betekenis hebben. ( Om deze stellingname aannemelijk te maken is een uitvoeriger betoog nodig dan ik hier kan geven. Laten we echter, ‘for the sake of argument’ aannemen dat deze interpretatie inderdaad steekhoudend is). Wat zijn hiervan dan de gevolgen voor Habermas’ ‘begripsstrategie’?

Wanneer Habermas het onderscheid introduceert tussen de twee typen van maatschappelijk handelen die hij communicatief  en strategisch noemt, benadrukt hij dat ze, vanuit het perspectief van betrokkenen, een alternatief vormen: ze sluiten elkaar uit omdat de coördinatiemechanismen die erbij horen niet met elkaar overeenstemmen (VE, p. 74), en omdat ze met handelingsoriëntaties verbonden zijn die iemand niet terzelfdertijd kan kiezen (VE. p, 602). Wie met een dergelijk beroep op empirische gegevenheden een onderscheid invoert tussen typen van handelen, mag natuurlijk niet verwachten dat dit onderscheid universeel-pragmatisch reconstrueerbaar is[24].  Het resultaat van de gevolgde begripsstrategie is wel dat het begrip ‘communicatief handelen’ zowel wordt gebruikt voor maatschappelijk handelen in zijn algemeenheid (de universeel-pragmatische betekenis van het begrip) als voor een type van maatschappelijk handelen (de sociaal- wetenschappelijke betekenis).
Het betreft hier een keuze van begripsstrategie die ook anders had kunnen uitvallen. Ik noem een tweetal mogelijkheden die naar mijn mening de voorkeur verdienen. De eerste voor de hand liggende mogelijkheid om begripsverwarring te voorkomen is de term ‘communicatief handelen’ naar zijn sociaal-wetenschappelijke betekenis te  vervangen door een andere, bijvoorbeeld ‘consensueel’ of ‘consensus-gericht’ handelen. Deze terminologische bijstelling zou zonder problemen passen in de huidige stand van Habermas’ onderzoeksprogramma. Een tweede mogelijkheid bestaat erin de naam van het maatschappijheoretisch onderzoeksprogramma te veranderen, en om in de context van grondslagenonderzoek  in plaats van ‘communicatief handelen’ te spreken van ‘gecoördineerd handelen’.  Met deze term zouden het eigene en vernieuwende van Habermas’ handelingstheorie, te weten dat het terzelfdertijd  een maatschappijtheorie is beter tot hun recht komen. De sleutel tot de systematische samenhang van beide ligt immers in de bemiddelende rol die Habermas toekent aan het potentiëel van materiële hulpbronnen. Langs deze lijnen verder denkend kan het in paragraaf 3 gepresenteerde verklaringsmodel niet alleen als reconstructie gelden van een maatschappelijke handelingssituatie, maar ook van de met een maatschappelijke orde gegeven coördinatiemogeljkheden. De formele articulatie van de inwerking op elkaar van elementen en relaties, waarnaar onder het hoofdje ‘structuurbepaling’ wordt verwezen, representeert precies deze mogelijkheden. Sociaal-wetenschappelijk onderscheiden typen of klassen van handelingen, zoals het consensueel  en  het strategisch handelen, kunnen dan worden geïnterpreteerd als empirisch identificeerbare netwerken van handelingen die elk een specifieke configuratie van elementen en relaties te zien geven, maar waarvan het  coördinatiemechanisme niettemin met behulp van hetzelfde universele grondmodel kan worden verklaard. Natuurlijk laat dit onverlet wat in de vorige paragraaf over de methodologische problematiek is gezegd, die de overgang betreft van de context van grondslagenonderzoek naar die van sociaal-wetenschappelijke theorievorming.

In mijn betoog heb ik me bewust beperkt tot problemen van Habermas’ begripsstrategie. De stelling die ik aannemelijk heb willen maken is dat daarin inconsistenties optreden die voortkomen uit het feit dat hij bij de uitwerking van zijn centrale begrippen onvoldoende de twee contexten van theorievorming uit elkaar houdt. Mijn uiteenzetting spitst zich toe op de dubbelzinnige betekenis van het begrip ‘communicatief handelen’. Het voorstel om in de naamgeving van het universeel-pragmatisch onderzoeksprogramma niet langer van ‘communicatief’ maar van ‘gecoördineerd handelen’ te spreken reikt evenwel verder dan de begripsstrategie alleen. Wijzigingen hierin hebben gevolgen voor de maatschappijtheoretische constructie zelf evenals voor de maatschappijdiagnose. Wanneer de hier gepresenteerde analyse steekhoudt zal ze vooral tot kritiek leiden op de wijze waarop door Habermas in de context van grondslagenonderzoek de begrippen ‘symbolische’ en ‘materiële reproductie’ tegenover elkaar worden afgegrensd, en op het feit dat het begrip ‘leefwereld’ wèl en het begrip ‘systeem’ nìet als grondbegrip wordt behandeld. In het kader van empirische theorievorming zal het tot een andere bepaling leiden van de differentiatie tussen het ‘communicatief’ (in de zin van ‘consensueel’), het ‘strategisch’ en het ‘expressief’ handelingstvpe[25]. En wat de tijdsdiagnose betreft zal de ontkoppelings- en de koloniseringsthese anders moeten worden opgesteld.

Dit alles laat onverlet dat het een grote verdienste van Habermas’ onderneming is, dat hij klassieke filosofische problemen hernieuwd aan de orde stelt op een manier die ze toegankelijk maakt voor directe of indirecte toetsing. Het is dan wel ook zaak aan de methodologische problemen die het regelen van de verhouding tussen de twee theoriecontexten betreffen de nodige aandacht te besteden.

* Lijst van gebruikte afkortingen
(betreft geciteerde publicaties van Habermas)

DM:  Der philosophische Diskurs der Moderne,1985
EI:    Erkenntnis und Interesse, 1973 (2e uitgave met nieuw Nawoord)
KK:   Kultur und Kritik, 1973                                                                                                            MKH: Moralbewusstsein und kommunikatives Handeln , 1983
TKH:  Theorie des kommunikativen Handelns , 1981 
VE:     Vorstudien und Ergänzungen zur Theorie des kommunikativen Handelns , 1984

Noten

1.Kunneman, 1984, p. 303-304.
2. Dat hier een tere plek ligt in Habermas’ conceptie vind ik bevestigd in een moeilijkheid die McCarthy tegen Habermas in het geweer brengt, en waar deze vooralsnog niet goed weg mee weet (Thompson/Held 1982, p. 232-233). Vergelijk ook in dezelfde tekst Habermas’ uitspraak dat ‘a fallibilistic consciousnes on the side of theory’ de afstand tussen theorie en praktijk vergroot.                                                                                                      3. Alles te samen genomen werkt Habermas dus met een onderscheid van drie contexten, de twee hier genoemde theoriecontexten en de context van het alledaags spreken en handelen. Ook in deze laatste context betekent de term ‘communicatief handelen’ weer iets anders. In dit hoofdstuk laat ik deze betekenis buiten beschouwing.
4.   Zie Van Doorne 1982, p. 86 e.v.  De formulering die ik er hier aan geef houdt rekening met de primair sociaal-filosofische en sociaal-wetenschappelijke thematiek van Habermas’ werk. Zie ook DM, p. 345 e. v., vooral p. 350, waar dit onderscheid van contexten het begrip leefwereld betreft.
5. In een zeer interessante beschouwing over de relatie tussen zedelijkheid van alledag en theorieën  over moraliteit: Habermas 1984, vooral p.224-226.
6. Onder Habermas meer recente geschriften zijn behalve VE natuurlijk TKH, MKH en DM (hoofdstuk XII) te noemen. Het is nuttig in de gaten te houden dat VE volgens Habermas’ eigen opgave van later datum is dan TKH.
7. Vgl. in dezelfde zin MKH, p.144.
8. Zie Van Doorne 1982, met name hoofdstuk V en VI. Zie ook Van Doorne en Ruys 1984,  zij het dat de pagina’s 215-216 van deze tekst ingrijpend herzien moeten worden.
9. Zie de vindplaatsen genoemd in noot 8. Vergelijk ook Van Doorne/Vromen 1982 en Van Doorne 1985.
10. Ik beroep mij voor het opnemen van de term ‘leefwereld’ in het verklaringsmodel, waardoor ik de term universeel-pragmatisch interpreteer, op met name die passages waar Habermas zelf het onderscheid hanteert van ‘lebensweltlich’ en ‘lebenswelt-konstitutiv’, o.a. VE, p. 498. Ook DM, p. 350 biedt steun aan deze opvatting.
11. Zie noot 8.
12. De consequentie van deze invulling van wat Giddens ‘the absent core’ noemt in Habermas’ geschriften (Thompson/Held, p. 159)  is wel dat, in de context van grondslagenonderzoek, met een universele bemiddelingsinstantie rekening moet worden gehouden die een brug slaat tussen de constitutief op te vatten begrippen ‘leefwereld’ en ‘systeem’. In mijn verklaringsmodel is een gelijkwaardige behandeling mogelijk van handelingstheoretische en systeemtheoretische  interpretaties. In deze conceptie is de betekenis van het begrip ‘systeem’ geen afgeleide van (en secundair aan) de betekenis van het begrip ‘leefwereld’, zoals bij Habermas.
13. Zie o.a. VE (Replik auf Einwände), p. 561
14. Ook wordt het aldus mogelijk een maatschappelijk optimum te formuleren, wanneer we dat bijvoorbeeld omschrijven in termen van een gelijkwaardige verdeling over alle in het verklaringsmodel onderscheiden elementen en relaties van kansen op beïnvloeding van de situatie. Zo zou ik interpreteren wat Habermas ‘de ideale spreeksituatie’ noemt. Ook voor deze term geldt de eerder gesignaleerde dubbelzinnigheid, vgl.VE (Replik, p.524). Ik laat dit hier verder rusten.
15. Deze twee kanten van sociaal-wetenschappelijke theorievorming  heb ik elders reconstructief-analytisch en reconstructief-empirisch genoemd, waarbij het adjectief  ‘reconstructief’ de ‘constraints’ betreft waaraan sociaal-wetenschappelijk onderzoek zich moet onderwerpen wanneer het recht wil doen aan de eigen rationaliteit  van de maatschappelijke verschijnselen, zie Van Doorne 1982, hoofdstuk VII par. 2 en 3.
16.  Goede voorbeelden van het onderscheid tussen het rationeel reconstrueren van grondvoorstellingen en de toepassing ervan in een empirische context zijn overigens ook bij Habermas te vinden, zie bijvoorbeeld VE, p. 527. Habermas is op dit punt echter niet consequent, met name niet waar het taalpragmatiek betreft. Vergelijk eveneens de in dit opzicht zeer relevante passage in VE, p. 229-230 onder a. In dezelfde zin p. 232 onder 1 en p. 234Zie ook ibid., p. 489-490. Noteer dat Habermas op deze plaats tegen Agnes Heller dezelfde argumenten hanteert die ik hier tegen hem inbreng.
17. Een sprekend voorbeeld van het gebruik van de term in de tweede betekenis is VE, p. 501, het begin van III.
18. J. Berger 1982, p. 358-360, onder II ad b, en Giddens (Thompson/ Held), p. 156.
19. In deze term zit de dubbelsporigheid van de term ‘ideaal’ weer ingebakken, die mijns inziens Habermas zelf soms, en veel van zijn commentatoren vaak, parten speelt: de betekenis van formeel en universeel en de betekenis van normatief-regulerend. (Vgl. EI (1973), 2e uitgave, Nawoord, p. 411-412, over de ermee verbonden dubbelsporigheid van de term ‘reflectie’. )                                                                                                                                                                                         20. Het valt overigens moeilijk te ontkennen dat Habermas voor mensen die deze kritiek niet delen (en gegeven de rijkdom en differentiatie van zijn begrippenapparaat) juist grote indruk maak met zijn maatschappijkritische ‘empiriseringen’.
21. Zie Van Doorne 1982, p. 134-181.
22. Geciteerd naar de Duitse versie in VE (‘Replik auf Einwände’, p.475-570).  In dezelfde bundel komt ook het zojuist genoemde artikel voor, p. 571- 606.                                            23. Van oudsher speelt deze thematiek een belangrijke rol in Habermas’ maatschappijtheorie. Zie bijvoorbeeld zijn argumentatie waarom ‘Sinn’ geen ‘sprachunabhängige Kategorie’ kan zijn TGS, 171-202. Vgl. ook MKH, p. 31, en VE, p. 497.
24. Hierin kan ik J. van Nieuwstadt  (1983) alleen maar bijvallen.                                                                                                                                                                      25. Zeer verhelderend vind ik hiervoor wat J. Vromen in deze bundel  zegt over economie in de kritische theorie. Hij attendeert op de mogelijkheid dat Habermas de categorie ‘doelrationeel handelen’ ontleent aan referentiekaders die berusten op uitgangspunten welke moeilijk overeen te brengen zijn met zijn eigen universeel-pragmatische vooronderstellingen.

Referenties

(Zie voor verwijzingen naar mijn eigen werk de lijst van publicaties op deze website )

Berger, J. , Die Versprachlichung des Sakralen und die Entsprachlichung de Ökonomie, in: Zeitschift für Soziologie 11, 1982, p.353-365

Giddens A., zie hieronder : Thomson/Held, p. 149-161

Kunneman, H., Habermas’ theorie van het communicatieve handelen, Een samenvatting, Meppel 1985 3e uitgave

Nieuwstadt, J. van , De relatieve zelfstandigheid van taalhandelingen: een hoofdstuk uit de Theorie des kommunikativen Handelns van Jürgen Habermas, Kennis en Methode, VII 1983 , p.329-355

McCarthy, Th. , zie Thompson/Held, p. 57-78

Thompson, J.B. en Held, D., Habermas, Critical Debates, Londen 1982

Vromen, J.J. , De machinale economie in de kritische theorie, in: Doorne F. van en Korthals, M. , Filosofie en maatschappijkritiek. In debat met Habermas, 1986, p. 130-144

.